"Leeuwenplaats", Rijperweg 115



Het buiten "Leeuwenplaats" op de kaart van 1646. Het noorden ligt ongeveer rechts. Links ligt de Rijperweg, boven vormt de Beetsersloot de perceelgrens.

Tussen 1612 en 1622 werd door de Amsterdamse koopman Jan van der Straten de buitenplaats gebouwd, die later bekend stond onder de naam Leeuwenplaats (BEEM 47 A).

Het voormalige erf is nu geheel onbebouwd, de tuinaanleg grotendeels. In het geploegde akkerland zijn de contouren van de buitenplaats nog enigszins te zien.




De buitenplaats op de kadasterkaart 1811-1832, het noorden ligt ongeveer boven.

Eigenaar: "De Erve Wed. Jan Van Wallendaal, Edam".

310 = boomgaard
311 = moestuin
312 = huis en erf
313 = schuur
314 = water
315 = bosch
316 = weiland
317 = bosch
318 = weiland
319 = weiland
320 = weiland
322 = huis en erf
327 = schuurtje


Uit Beleidsnota Archeologie Gemeente Beemster 2003:
Het archeologisch onderzoek van de Leeuwenplaats.
Op het terrein van de voormalige buitenplaats Leeuwenplaats werden in 1985 archeologische waarnemingen gedaan tijdens de uitvoering van egalisatiewerkzaamheden. De heer H. Tol, indertijd cultureel ambtenaar voor de gemeente Beemster, heeft de gegevens in een intern rapport vastgelegd. De vondsten zijn opgeslagen in Museum Betje Wolf te Middenbeemster.
Klik voor vergroting
Tekening door Henk Tol, Middenbeemster, 1985.

Aan de oppervlakte van het perceel was, voordat de egalisatie plaatsvond, enig reliëf te zien van de oprit tot de toegangsbrug tussen laan en erf, van een speelhuis (koepel) achter op het perceel en in het midden een lager gedeelte waar een vijver had gelegen. De gebouwen van de buitenplaats waren in of kort na 1805 gesloopt. Daarbij had men het heiwerk laten zitten, want dit werd op meer dan 80 cm diepte teruggevonden. De heiconstructie was uitgevoerd volgens de Amsterdamse methode. Vanwege de diepte was er geen noodzaak om deze resten tijdens de egalisatiewerkzaamheden te verwijderen, zodat ze nog steeds aanwezig zullen zijn. De restanten van de tuinmuur daarentegen lagen vlak onder de grasmat. Deze muur was liefst 80 cm dik en liep over een lengte van meer dan honderd meter aan de binnenzijde van de voormalige 3 meter brede singelgracht. Binnen de tuinmuur aan de zuidzijde bevond zich een uit gele klinkertjes bestaand plateau van circa 7 bij 8 meter, aan de bovenkant afgewerkt met in concentrische patronen gemetselde vuursteenkeitjes. Onder de keitjes lagen resten van een loden waterleidingsysteem van waaruit pijpjes omhoog staken tussen de keitjes. Deze vormden kleine onzichtbare fonteintjes, zogenaamde “bedriegertjes”. Aan één van de buizen zat een bronzen aftapkraan uit het eerste kwart van de 17e eeuw.
In het sloottalud bij de Rijperweg bleken de resten van een paalfundering aanwezig, behorend bij de brug die vanaf deze weg toegang gaf tot het complex. Van een andere brug op het terrein, die leidde naar het binnenplein, werden de gemetselde bruggenhoofden teruggevonden. In het opmerkelijk laag gelegen middengedeelte van het terrein werd een venige oude waterbodem van een vijver of viskom geconstateerd, waarin zich keramiek uit de 18e en 19e eeuw bevond. Ook een dubbele rij zware palen van waarschijnlijk een houten loopbrug over de vijver was hier aanwezig. Er werden drie gemetselde waterafvoeren gevonden, die voorheen vanuit het hoofdgebouw uitwaterden op de oostelijke singelgracht. Hierbij bevond zich een putachtig reservoir, opgevuld met het puin van een gesloopte schoorsteen. Bij de archeologische waarnemingen werden diverse bouwfragmenten van de buitenplaats gevonden, waaronder polychroom versierde tegels, dakleien, vensterglas en afval uit (waarschijnlijk Amsterdamse) glasovens. Verder werden natuurstenen bouwfragmenten gevonden, zoals afdekplaten en een blok, een fragment van een hardstenen baluster uit de 18e eeuw en een beschadigde zandstenen console van een schouw uit het eerste kwart van de 17e eeuw.
Analyse van de kaart uit 1646 laat zien dat ter plekke van de bedriegertjes een vierkantje is aangeduid; ook de plekken van de gebouwen, het theekoepeltje, de brug en de vijver zijn waarneembaar, een tuinmuur is daarentegen niet te zien.
Uit historisch onderzoek blijkt dat de buitenplaats (“hofstede”) tussen 1612 en 1622 was gebouwd door de Amsterdamse koopman Jan van der Straten. Nadat in 1646 de situatie op de kaart van Van Berckenrode en Van Breen was vastgelegd, duurde het tot 1735 voor het buiten opnieuw in de archieven opdook. In dat jaar verkocht George Clifford, bankier te Amsterdam, de hofstede aan Roelof de Leeuw, burgemeester van Monnickendam. Deze overleed in 1763 en liet de buitenplaats na aan zijn weduwe Elisabeth Admiraal (1702-1793). In 1805 werd “de buitenplaats met koepel” voor sloop verkocht en in 1880 de ongeveer duizend bomen op stam in het Bosch aan de Rijperweg gerooid. Vooraan op kavel 21 werd vervolgens in 1881 de nog bestaande grote boerderij gebouwd met dubbel vierkant en monumentale voorgevel. De gemetselde toegangsbrug van het buiten werd afgebroken en naar het westen verplaatst ten behoeve van de nieuwe oprijlaan. Ook werd het terrein min of meer geëgaliseerd.
Nadat de boerderij was verkocht aan de Stichting R.K.Maagdenhuis te Amsterdam volgde in 1985 de egalisatie van het terrein die aanleiding werd tot het doen van de archeologische waarnemingen. Uit de resultaten en de vondsten die dit opleverden is duidelijk gebleken, dat van de Beemster buitenplaatsen nog belangwekkende archeologische resten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Voor alle duidelijkheid dient te worden opgemerkt, dat zich op het terrein van de Leeuwenplaats, ondanks de indertijd uitgevoerde egalisatiewerkzaamheden, nog steeds vele archeologische waarden in de bodem zullen bevinden.


Notulen van de vergaderingen van de Municipaliteit; Inv. 2-04 (Waterlands Archief):
BUITENPLAATS 'DE LEEUWENPLAATS'
Vergadering van 24 mei 1804:
De eigenaresse van de buitenplaats aan de Rijperweg AK 21 (de Leeuwenplaats), die zodanig is vervallen dat het niet meer gerepareerd kan worden, verzoekt het te mogen afbreken. Getekend Antonetta Wallendal geb. Brasker (noot: zie voor de personen Antonetta Brasker en Jan Wallendal: Edam, 1000 jaar geschiedenis van een stad, Ben Speet (2007). Bij haar dood in 1820 liet Antonetta f 1.000.000,- na).
Het verzoek wordt toegestaan door de Municipaliteit.

Echter, in de vergadering van 19 juli 1804 blijkt de toestemming te zijn ingetrokken, omdat het verzoek niet behoort tot de competentie van de Municipaliteit.
Op de vergadering van 3 augustus 1804: - het Departement van Finantieën geeft toestemming voor de sloop van de huysinge van Jan van Wallendaal en Antonetta Brasser.

Conclusie: de Leeuwenplaats is in 1804 (misschien 1805) gesloopt: de laatste eigenaars van de Leeuwenplaats waren Jan van Wallendaal en Antonetta Brasker. Informatie van Gerrit Ernsting, 10 dec. 2010.




De huidige boerderij op de plek van de voormalige tuin, in januari 2007.

Vorige buiten
(27 van 55)
Volgende buiten
(29 van 55)
Of sluit dit venster om terug
te gaan naar het overzicht
Impressum
© 2007 Michiel Hooijberg.

Terug naar de Indexpagina.