"Oostwijck", Hobrederlaan tegenover nr. 1/2




Het buiten "Oostwijck" (ook wel "Huis ten Oostwyck") op de kaart van 1646, gelegen op Arenberger kavels 59 en 60. Bovenin de Purmerenderweg, naar onder toe de Hobrederbijwech oftewel Hobrederlaan. Links van de Hobrederlaan het woonhuis (nog zonder aangebouwde stolp van 1724) van de gebroeders Visser, waar de boer van de buitenplaats woonde. De begrenzing van de tuin aan de noordkant werd gevormd door de onderkolk van de Hobredermolens, verdwenen rond 1635. De tuinier woonde in het midden van de tuin.

In 1733 wordt vermeld dat hier een Jan Doetsz. Beets werkte en woonde. Hij was als getuige betrokken bij een berucht proces tussen de eigenaar Lucas Merens, en de toenmalige dijkgraaf van de Beemster, Dirck Alewijn, over het dempen van een sloot. Tijdens het eigenaarschap van Lucas Merens verviel het herenhuis. Zigeuners sloopten het ijzerwerk eruit voor schroot, ook het metselwerk werd afgebroken, om de grachten mee te dempen.

Op de kaart van rond 1900 staat in het midden van de buitenplaats nog een bosje afgebeeld.

Rond 1998 werd een aardgasleiding door het perceel van de buitenplaats gelegd, daarbij had de aannemer veel hinder van het aanwezige puin. Enkele jaren daarna is het terrein door de nieuwe eigenaar gevlakt, zodat de nog zichtbare contouren van de gracht grotendeels verdwenen zijn.

Het terrein is in 2007 onbebouwd.

Overzicht van eigenaren (met dank aan gebroeders Visser):
1612: Kavel 59 bij de verloting in het Slot te Purmerend op 30 juli 1612 toegewezen aan Nicolaas van Bambeeck (overl. 18 maart 1615) en Abraham Boom (beiden hoofdingeland van de Beemster), en kavel 60 aan François Boudewijns.
1656: Joan van de Straten, namens de polder, aan Nicolaas van Bambeeck jr., 2311 roeden van de geslechte kolkdijken.
1663: Nicolaas van Bambeeck aan Anthonia de Hooghe, voor ƒ 60.492.
1672: Taxatie voor de erven van Philepina van Mariënvoorde, weduwe van Elias Pels. Deze was erfgename van Josina de Hooghe, weduwe van Jan ten Grotenhuis.
1720: Elisabeth de Dieu aan Jan ten Grotenhuis (kleinzoon).
1724: Aletta Boendermaker-ten Grotenhuis aan Lucas Merens (1698-1776, burgemeester van Hoorn, zie portret rechts).
1776: Meinard Merens, zoon van Lucas Merens.
1813: Cornelia Gallis, weduwe van Meinard Merens.
1828: Maarten Witze van Zijp.
1832: Grietje Ubbels, weduwe van Teunis Donker.
         Cornelis Hart.
1857: Dirk Reijne 28.91 ha in kavels 58, 59 en 60.
1900: erven J. Reijne aan G. Reijne 23.42 ha.
1914: D. Reijne.
1980: gebroeders Visser.
ca. 1998: G. Kooi, van Broedersbouw.











De dichter Caspar Barlaeus oftewel Kaspar van Baerle (1584-1648, zie portret links) verpoosde geregeld bij François Boudewijns op de buitenplaats "Oostwijck" en componeerde de volgende twee gedichten:

Op de HOFSTEDE Inde BEEMSTER,
genaamt OOSTWIJCK.

Vreuchde-plaets, vermaeck van zinnen,
    OOSTWYCK, neem dit Dicht in danck,
Want Poëten die u minnen,
    Scheyden met geen and're klanck.
Daer Neptunus plach te razen,
    En te rijzen met zijn stroom,
Staet ghy cierlyck met u glazen,
    En zoo meenigh Linde-boom.
Uwe Vijvers, u Waranden,
    U gekroonde groenten hoogh,
Uwe wijt gestreckte Landen
    Zijn verwonderingh van 't oogh.
Uwe Zee-Godt ziet men rijzen
    Uyt het water onder op,
U Fonteynen zwygend' prijzen
    Hem, die woont in 's Hemels top.
Uwe Tuynen, uwe Hoven,
    Uwe lange dichte Laen
Sal ik altijdt dankbaer loven,
    Voor de vreucht my aengedaen.
Doen u Herten namen spronghen,
    Nam ik ook by naer een sprongh,
Doen u Vogeltjens daar zongen,
    Ick met haer van weelde zongh.
Uwe weyden als Tapyten
    Zach ick met genuchten aen,
Die de Schilderen verwijten,
    Dat haer konst moet stille staen.
Als ik sagh de Visschjens swemmen,
    Zeyd' ick; Visschjens duyckt te gront.
Zoo de Netten u beklemmen,
    Raeckt ghy flusjens in de mont.
Piramiden en prieelen
    Groeyen zonder jemants hoon,
Echo roept met luyder keelen,
    Dat ghy zijt de Beemsters Kroon.
Smaeck, gesicht, gehoor, gevoelen,
    Reuck, een yder ziels gedeelt,
Konnen hier haer lusten koelen,
    Niet en isser dat verveelt.
Als ik t'savonts was geseten
    Op en onder t'Linden-blat
Liet ik Iupiter dit weeten,
    Dat hy noyt zoo wel en sat.
Maer de vrientschap van u Heere,
    Van u waarde schrand're Vrou,
Van Lucretia vol eere,
    Banden alle druck en rou.
OOSTWYCK, wie kan u vergeten?
    Wie kan swijgen uwen loff?
ROUWYCK moest ghy zijn geheten.
    Rou verdrijft u huys en hoff.

Lof van de LINDEBOOM, OP OOSTWIJCK,
De Hofstede van de Heer BOUDEWYNS,
In de Beemster.
Aen F. BOUDEWYNS J.

Uw' Oostwijck is mijn lust, en 't leven van mijn leven,
Uw' Oostwijck is de plaets, die arbeyt rust kan geven,
Uw' Oostwijk is de plaets, die uyt de graven treckt
Wat half verstorven was, ja die de doodt verweckt.
Uw' Oostwijck laet mij sien het wonder van mijn oogen,
Sijn Lindeboomtjen, groen van kroonen en van boogen.
En ommeloopen vijf, die van der aerden op
Allenskens boven een bereycken 's Hemels top;
Ick swijgh van al de rest. Dees' Lindeboom derf roemen
Van wasdom en van kunst; en magh sich selver noemen
De pronckstar van 't geboomt, de Koningin van 't veldt,
Daer vreemt en ingeland sijn sinlijck oogh op stelt.
Dees Boom is 't vrindlijck huys gegroeyt in d'eerste Hemel,
Gehangen in de locht, en levend' van 't gewemel
Van bladt en vogeltjens, die met haer soet geluydt
Den rooden morgenstondt begroeten als een bruydt.
Dees' Boom is 't schoon Paleys, daer Godt ons doet bemercken,
Sijn wijsheyt, en sijn maght, en goetheydt van sijn wercken,
Daer in geschildert staet de groente met de bast,
Waer in de Schepper wordt als met der handt getast.
Dees' Boom is als een sael en solderingh van vreughden,
Een kamer voor de jeugt, een woning voor de deughden.
Dees Boom rijst met sijn trap, en slingert soo om hoogh,
En wijst rondom sijn tuyn en hof aen yders oogh.
Dees' Boom is een prieel, daer 't tafeltjen in 't ronde
De ongekochte spijs kan schaffen voor den monde.
De haes in 't vlacke veldt gevangen, en den visch
In 't water opgequeekt, komt in de locht ten disch.
De windekens rondom verkoelen hier de spijsen,
En konnen ons den wegh van son en mane wijsen.
Den Hemel is sijn dack, het water geeft hem vocht,
De aerde is sijn grondt, sijn leven is de locht.
Dit Lindeboomtjen kan sijn Heer van sorgh bevryden,
Dit Lindeboomtjen set sijn Joffrouw aen sijn zyde;
Dit Lindeboomtjen geeft Lucretie haer verblijf;
Dit Lindeboomtjen streckt Franciscus tot gerijf,
Wanneer sijn vlugge geest en opgetogen sinnen
De koopmanschap ontgaen, en Phoebus konst beminnen;
Wanneer hy onverwacht Barlaeus komt aen boort.
En stort sijn dichten uyt van al de Goo'n verhoort.
Franciscus, nu wel aen, die Man die ghy wilt prijsen,
Sal u, soo lang hy leeft en sweeft, sijn dienst bewijsen.
En wat ick niet en kan vergelden met 'er daet.
Dat sal ick met mijn wil volbrengen sonder maet.



Het terrein van "Oostwijck" in januari 2007, gezien vanaf de Hobrederlaan. Rechts het nu onbebouwde terrein, links het huis met stolp van de gebroeders Visser.

Vorige buiten
(55 van 55)
Volgende buiten
(2 van 55)
Of sluit dit venster om terug
te gaan naar het overzicht

Impressum
© 2007 Michiel Hooijberg.

Terug naar de Indexpagina.