 |
| "Vredenburgh", Zuiderweg 62/80 |
|
|

"Vredenburgh", ontworpen door Pieter Post. Uit: P. van der Aa, Les ouvrages de Pierre Post, Leiden, 1715. Met prachtige tuinarchitectuur (combinatie negotium = het werkzame leven en otium = de vrije tijd). Oppervlakte 188 x 226 m, met verschillende geometrische elementen van beplanting. Bron: Waterlands Archief. Onderin de Zuiderweg, bovenin het Zuiderpad.
Zie ook Tuinhistorisch Genootschap Cascade, Atlas Schoemaker.

Het hoofdgebouw van "Vredenburgh", detail uit bovenstaande afbeelding. Een maquette van dit gebouw bevindt zich in Museum Betje Wolff in Middenbeemster. Het hoofdgebouw werd ten westen geflankeerd door de hovenierswoning, in het oostelijke bijgebouw waren de "Orange en Speelhuys". De bijgebouwen waren aan de voorkant middels een open gaanderij met het hoofdgebouw verbonden, en aan de achterkant middels een gesloten gaanderij.
Slechts van Vredenburgh en zijn tuinen, omstreeks 1643-1649 door Pieter Post gebouwd voor Frederic Alewijn, zijn
ontwerptekeningen uit het familiearchief bekend. Deze meer dan honderd tekeningen berusten bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (zoek op "Vredenburch", "Vredenburg beemster" en "Vredenburgh beemster") en vormen een iconografisch en cartografisch belangwekkende overlevering. In tegenstelling tot Vredenburgh is er echter weinig informatie voorhanden over de andere buitenplaatsen in de Beemster.
In het Westfries Archief zijn meer afbeeldingen van Vredenburgh te vinden. Ondermeer een plattegrond van het gebouw, waarop in het oostelijke bijgebouw schotten zijn ingetekend, misschien voor het stallen van paarden? Bij de boerderij waren echter de "Stallingen voor paerden", het oostelijke bijgebouw wordt "Orange en Speel-huys" genoemd.

Fragment van de kaart van Van Berckenrodevan 1644. Links de Zuiderweg, rechts het Zuiderpad. Aangezien het herenhuis nog niet bestond toen Van Berckenrode in 1640 de metingen voor deze kaart verrichtte, moet Van Berckenrode de plannen in zijn kaart hebben verwerkt.
"Vredenburgh" werd gebouwd in opdracht van Frederik Alewijn (1603-8 juni 1665). Hij hoorde niet bij de compagnie der bedijkers die de Beemster drooglegde, maar stak wel vanaf 1630 veel geld in de aankoop van grond. Frederiks nakomelingen speelden ook een belangrijke rol in het bestuur van de Beemster.
Frederik Alewijn trouwde met Eva Bicker. Op 31 augustus 1644 werd zoon Dirk Alewijn geboren, deze huwde op 1 november 1667 met Agatha Bicker (19 maart 1647-5 augustus 1716, dochter van Hendrick Bicker en Eva Geelvinck), en woonde op de Heerengracht te Amsterdam. In 1674, toen Dirk hoogheemraad van de Beemster werd, werd hij aangeslagen voor een vermogen van ƒ 250.000. Dirk overleed op 14 december 1687.
De kleinzoon Mr. Dirck Alewijn (6 mei 1682-13 oktober 1743 [vlg. Beemster kroniek foutief 1742]) trouwde op 7 maart 1717 met Bregje Loten (1692-1760), de dochter van Jacob Loten en Duyfje van de Poll. Dirck Alewijn was vanaf 13 maart 1721 21 jaar lang dijkgraaf van de Beemster, en had daarnaast enkele bestuurlijke functies in Amsterdam. Zijn zoon Dirk (22 mei 1719-1757) bezat in de Beemster de hofstede "De Meermin".
Na het overlijden van dijkgraaf Balthasar Coymans was Frederik Alewijn (zoon van Dirk, geboren 18 januari 1737) van 1759 tot 1795 zijn opvolger [toen werd ene Dirk de Boer als zodanig aangesteld door de Municipaliteit, en bleef dat tot 1804]. Frederik woonde 's winters in Amsterdam, waar hij ook bestuurlijke functies had als burgemeester en in de vroedschap, en 's zomers op "Vredenburgh". Hij huwde Barbara Maria Fabricius. Na nog een half jaar dijkgraaf geweest te zijn als vervanger van Dirk de Boer, overleed Frederik Alewijn op 10 november 1804.
Op 15 april 1795 werd ter gelegenheid van de oprichting van de Bataafsche Republiek een boom gerooid uit het mastbos van Alewijn, en op plechtige wijze midden op de Stenenbrug in Purmerend geplant als vrijheidsboom. Nadat de vriendschap met Frankrijk bekoeld was, werd de boom op 6 juni 1802 omgehakt en afgevoerd naar de stadstuinen.
Volgens De geschiedenis van Purmerend, Piet Huurdeman 1975, was het mastbos van Frans Alewijn. Die naam kan niet kloppen, er leefde toen geen Frans Alewijn. Wellicht was het Frederik Alewijn (1737-1804), of eventueel Frederik Alewijn (1775-1817).
Vermoedelijk heeft Piet Huurdeman het overgeschreven uit Geschiedenis van Purmerend door P.M. Verhoofstad, 1947 (het woord mastbosch duidt daarop) - Verhoofstad noemt het het Mastbosch van Fr. Alewijn. Huurdeman dacht waarschijnlijk dat zal wel 'Frans' zijn. In 1795 werd Vredenburgh bewoond door de (pas afgezette) dijkgraaf Frederik Alewijn die in 1804 overleed.
Frederiks jongste zoon en opvolger woonde en overleed ook op "Vredenburgh". Deze Mr. Frederik Alewijn werd geboren op 15 mei 1775 en vestigde zich eerst te Hoorn, waar hij raad was. Hij was ook hoofdingeland en vanaf 1804 dijkgraaf van de Beemster, en van 1808-17 december 1814 hoofdingeland van de Schermer. Op 17 juni 1799 trouwde Mr. Frederik met Margaretha Christina Opperdoes, dochter van een Hoornse burgemeester. Zij was geboren te Hoorn op 22 september 1780 en overleed daar op 12 juni 1844. Frederik zelf overleed al op 11 september 1817.

In 1818 werden huis en landerijen verkocht, en in 1819 werd het huis Vredenburgh en het oostelijk aangebouwde bijgebouw gesloopt en kwam er een warmoezerij. De afbeelding is een detail van de kadasterkaart Beemster sectie D, 1811-1832; het herenhuis en de voormalige tuinen behoorden toen aan Teunis van Doorn, de boerderij en grond westelijk van de oprijlaan (boven) behoorden aan Harmen Waterhond.
Volgens Eigenaars van landerijen in de Beemster, Th. Dinkla 1989, werd in 1818 Jan Timmer eigenaar van het geheel (PK10 (ged.), 11, 12 (ged.) en PK 24 (ged.), 25 en 26 (ged.)). Vanaf 1822 waren de eigenaren Teunis van Doorn en Harmen Waterhout [Waterhond?]. Het is heel goed mogelijk dat bij de verkoop van de landerijen in 1822 de kavelsloot (thans een del) de grens was tussen de twee eigendommen, maar gedurende de gehele 20e eeuw lag de grens in het midden van het westelijk gedeelte van de omringgracht. Toen kwam de voormalige tuinaanleg in bezit van de familie Kuik, en de voormalige boerderij in bezit van de familie Ernsting.
Op 25 juni 1875 schreef "Vrouwe douairiere Opperdoes Alewijn" aan het dijksbestuur van de Beemster "de meegestuurde modelmolen, het werk van den grooten Leeghwater, op verzoek van wijlen hare Hoog Edel Geboren echtgenoot als cadeau aan het Waterschap de Beemster te vereren", terwijl ook het portret van Jhr. P. Opperdoes Alewijn daarbij was ingesloten. Men aanvaardde beide geschenken van harte.
De boerderij met langhuis ten westen van het herenhuis werd op een iets andere plek vervangen door de huidige stolpboerderij aan het einde van de oprijlaan, Zuiderweg 66. De kavelsloot waaraan het botenhuis stond is dichtgeslibt en nu een del in de boomgaard. Halverwege de twintigste eeuw werd het grootste deel van de omringgracht gedempt met huisvuil. Tot de aanleg van het fietspad langs de Zuiderweg waren de restanten van de afgebroken toegangspoort nog zichtbaar, toen werd de huidige brug met poort met het opschrift Vredenburgh geplaatst. Pas in 1996 werd de hovenierswoning, oorspronkelijk het westelijke bijgebouw, gesloopt omdat het pand onbewoonbaar was geworden, ondermeer door verzakking van de schouw in het midden. Wat van Vredenburgh resteert is het eerste deel van de oprijlaan, het westelijke deel van de omringgracht met een versmalling ter plekke van de voormalige toegangsbrug, en een zandstenen pijnappel in de tuin van museum Betje Wolff.
|
|