plaatje
De poldermolens van de Beemster -- Opbouw
Indexpagina
Stoomtram door de Beemster en de Schermer
Tramlijn door de Purmer en de Zuidpolder
Stoomtram door de Egmondermeer
Zuiderkogge-tramlijn
De poldermolens van de Beemster
Opbouw
Locaties
Bedrijf
Ontevredenheid
Afbraak
Stoomgemalen
Verwijzingen
Jan van Egmond
De opschepingen van de Beemster
Twintig overhalen in de Beemster?

Op 14 april 1607, tijdens de Tachtigjarige Oorlog met Spanje, werd een onderneming - de compagnie der bedijkers - opgericht om de drooglegging van het Beemstermeer te realiseren. Hierin zaten naast kooplieden vertegenwoordigers van de Staten van Holland en Westfriesland, allen rijke lieden die in de droogmaking een goede investering zagen.

Highslide JS
"Jan Adriaensz. houdt toezicht bij de bouw van de watermolens in de Beemster. Links worden heipalen geslagen in een opgeworpen dijk."
Tekening van Taco Scheltema, gravure door W. Steelink, uitgeverij A.W. Sijthoff, Leiden, ca. 1880.

Hoewel hen verscheidene nieuwe uitvindingen werden aangeboden, gaven de bedijkers voor het uitmalen de voorkeur aan achtkante molens met het gebruikelijke scheprad. Wel werd op 29 november bij de achtkante oliemolen van Jan Adriaensz. uit De Rijp gekeken, alsmede met Pieter Pietersz. uit De Rijp en Pieter Claesz. van de Vuile Graft (West-Graftdijk) gesproken, om te beoordelen of hun uitvindingen van nut zouden kunnen zijn. De verbeteringen van Jan Adriaensz. werden niet gebruikt.

Omdat de beide Pieters beloofden dat hun molens 50 procent beter zouden presteren dan de gangbare, werd overeengekomen dat er twee molens volgens hun ideëen gebouwd zouden worden Later kregen zij onderhands het contract voor de bouw van alle 16 molens. Dit werden achtkante binnenkruiers met een scheprad, klik hier voor het complete bestek waaraan ze moesten voldoen.

Of de verbeteringen van beide hoofdaannemers in de molens gebruikt werden en de beloofde opbrengst leverden, wordt niet vermeld. Wel werden zo gauw het even mogelijk was, direkt na de drooglegging in 1612, twee van de Beemstermolens bij Purmerend voor afbraak verkocht. Dit was zeer ongebruikelijk, omdat er grote behoefte was aan extra molens op andere locaties binnen de Beemster. Mogelijkerwijze waren deze twee molens de experimentele bouwsels (met o.a. een afwijkende constructie van molenlijf en bovenwiel) van Pietersz. en Claesz. en werden ze verwijderd omdat ze als poldermolens niet aan de verwachtingen voldeden. Waar de beide molens weer opgebouwd zijn is niet bekend, mogelijke kandidaten zijn oliemolen De Zwaan (dbnr. 4683) aan de overzijde van de ringvaart, oliemolen De Zoeker in Zaandam (dbnr. 755), en oliemolen De Valk in De Rijp (dbnr. 6646).

Wat de uitvinding van de beide Pieters behelsde, blijkt uit een toevoeging van 10 artikelen aan het bestek van de Beemstermolens. Het gaat om de toepassing van twee schepraderen in plaats van één, waardoor de constructeurs ervan uitgingen dat twee van hun molens evenveel zouden presteren als drie gangbare molens. De bedoeling was dat er bij harde wind met twee, bij zwakkere wind met één scheprad gedraaid kon worden, regelbaar met kleppen in de waterlopen. Op hun idee verkregen kregen de uitvinders op 13 november 1607 octrooi nr. G 101 van de Staten Generaal.
(bron: Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden uit de 16e-18e eeuw, G. Doorman, 1940.)

Reeds snel na de aanbestedingen werden 10 molens extra besteld, wellicht bleek al snel dat de beide Pieters hun beloofde maalcapaciteit (met twee molens uitmalen wat normaal drie molens deden) niet konden waarmaken.

Rond de jaarwisseling 1607 - 1608 werd de bouw van 16 molens aanbesteed, welke op 30 mei opgeleverd moesten worden. De aanbesteding vond plaats op kosten en lasten van de aannemers, doch op naam van de Hoofd-Ingelanden. Het ging om 14 nieuwe molens, die door molenbouwers uit heel Noord- en Zuid-Holland aangenomen werden, waaronder ook Pieter Claasz. zelf. Het ijzerwerk voor de in Zuid-Holland bestede molens werd door een smid in Delft geleverd. Verder werd er een gebruikte watermolen aangekocht in Mastenbroek, alsmede een korenmolen in Schiedam, die omgebouwd moest worden tot watermolen [het contract vermeldt echter 10 nieuwe molens en "6 goede, vaste en sterke oude watermolens, die nogtans niet ouder zijn dan 10 of 12 jaar"]. Tevens waren er 6 of 8 kleine molens nodig "zoo als men behoeven en van doen zal hebben tot het maken en drooghouden van eenige kolken of diepten in de ringsloot, ringdijk of elders in de Beemster, en dat gedurende den tijd van droogmaken en drooghouden."

De aanbesteding aan de onderaannemers verliep van 31 december 1607 tot 18 februari 1608 als volgt:

  • 1. Cornelis Symonsz. de Boer, bij Delft, ƒ 3550.
  • 2. Pieter Gerritsz. Verspek, Leiden, ƒ 3600.
  • 3. Cornelis Arentsz., Schiedam, ƒ 3625.
  • 4. Cornelis Symonsz. de Boer, bij Delft, ƒ 3625.
  • 5. Syverd Jansz., Delft, ƒ 3625.
  • 6. Symon Claasz., Graft, ƒ 3700.
  • 7. Pieter Jansz., De Rijp, ƒ 3650.
  • 8. Pieter Claasz., Vuile Graft (West-Graftdijk), ƒ 3675.
  • 9. Soest Roelofsz. en Aart Jansz. de Wit, Woerden, ƒ 3750.
  • 10. Cornelis Jansz., Alkmaar, ƒ 3750.
  • 11. Syverd Jansz., Delft, ƒ 3660.
  • 12. Pieter Gerritsz. Verspek, Leiden, ƒ 3645.
  • 13. Aangekocht van burgemeester Oltgens, Mastenbroek.
  • 14. Jacob Meusz., Den Haag, ƒ 3600.
  • 15. Dirk Fransz., Delft, ƒ 3600.
  • 16. Gekocht een korenmolen van Symon Bouman, Schiedam, ƒ 2375. En tot een watermolen te veranderen besteed aan Cornelis Adriaansz., Schiedam, ƒ 1363, samen dus ƒ 3738. Gezien ondervermeld bericht van Jan van Hout moet dit de Spijkerboorder ondermolen zijn geworden.

Reeds begin maart 1608 werd besloten om nog vijf extra watermolens te laten bouwen. De molenbouwers uit Delft wilden ze alle vijf graag aannemen, maar op 6 maart kregen ze te horen dat dat niet doorging. Twee van de hoofdingelanden namen toen op zich, de vijf extra molens te doen aanbesteden aan de beste molenmeesters, en zo goedkoop mogelijk. In de loop van het jaar moet besloten zijn, het aantal molens tot 26 uit te breiden.

Vanaf half 1608 werd langs de randen van het oude land een ringdijk aangelegd en werden molens gebouwd voor de bemaling. Acht huijsluijden uit de omliggende dorpen, waaronder de timmerman Jan Adriaensz. (1575-1650) uit De Rijp, werden tot adviseur en toezichthouder van de dijkwerken aangesteld. Zij konden echter niet voorkomen dat er flink gesjoemeld werd bij de dijkbouw, waardoor deze niet de gewenste stevigheid en hoogte kreeg. Door het extreem natte weer trad vertraging op bij het sluiten van de dijk, en kon pas tegen het einde van 1608 gestart worden met het leegpompen van de Beemster. Omdat de twee hoofdaannemers buiten hun schuld niet aan de gestelde opleverdatum konden voldoen, werd het contract ontbonden. Dat was immers een van ontbindende voorwaarden: "... bij ongeluk van vloed of anders, dat de ringdijk inbrak of inliep, zoo zullen de aannemers niet gehouden zijn dat ongeval te dragen, ... met de aannemers in redelijkheid accorderen". De molens werden verder in eigen beheer van de bedijkers gebouwd, waarbij de aannemers in dienst werden genomen als opzichters, samen met Jan Adriaensz.

Jan van Hout

De secretaris van de stad Leiden Jan van Hout was een onvermoeibare harde werker in de stad, hij leverde perfecte verslagen die toch meer dan 400 jaar geleden geschreven zijn, uiteraard wel in zeventiende-eeuws schrift.

Op dinsdag 21 oktober 1608 verliet Van Hout samen met de stadsmeestertimmerman Jan Ottenszn van Seijst bij het sluiten van de poorten de stad om in de Beemster de molens met twee schepraderen te gaan bekijken. Per schuit reisden ze via Zaandam en Knollendan naar het Spijkerboordergat, waar hard werd gewerkt aan de nieuwe dijk in de Beemster. Er stonden daar twee nieuwe molens (de Spijkerboorder boven- en ondermolen ?) en noordwaarts nog een derde, alle drie water uit de Beenster 'werpende'. De middelste molen ('somen ons aldaer seijde') had gestaan bij Schiedam. Hij beschreef het gaande werk van de molens.

Vandaar reisde hij per schuit naar Purmerend waar nog twee molens stonden (Purmerender onder- en bovenmolen West ?) en trof op die molens tot zijn verbazing de Leidse molenmaker Verspeck aan die bezig was daar een aangenomen klus te klaren. Deze was gaarne bereid hem te woord te staan, en wilde ook graag t.z.t. de stad Leiden alle advies geven t.b.v. het bouwen van de Leidse molen.

Bron: Leids archief ELO.
Wim Zalm, 6 feb. 2019.


Het Leidse exemplaar van de Caerte van de onbedijkte Beemster van Pieter Cornelisz. Cort uit 1607

In het Leids stadsarchief Erfgoed Leiden en Omstreken (ELO, Stadsarchief 1574-1816. inv. nr. 5172, folio 86) bevindt zich een kaart van de nog niet drooggemaakte Beemstermeer in 1607 van Pieter Cornelisz. Cort [zie ook de pagina Ontwerpers]. De kaart is toegevoegd aan een verslag van de reis die stadssecretaris Jan van Hout en stadsmeestertimmerman Jan Ottenszn van Seijst in oktober 1608 in opdracht van de stad Leiden naar de Beemster maakten. Alhoewel de kaart van Cort al uit veel publicaties bekend is, bevat dit Leidse exemplaar een interessante toevoeging. In de linker marge staan namelijk in vier alinea’s berekeningen betreffende watervolumes en molenmaalcapaciteiten. Aanvullend op de vraag wat deze berekeningen behelzen kan men zich terecht afvragen waarom twee Leidenaren deze reis naar de Beemster ondernamen.

plaatje

Na het beleg van 1574 ging het de stad Leiden voor de wind. De lakenindustrie floreerde en het aantal inwoners steeg van 10.000 vlak na het beleg naar 25.000 in de eerste jaren van de zeventiende eeuw. Daar al deze inwoners met hun nering zich binnen de veilige stadsmuren vestigden nam de vervuiling van de grachten sterk toe en ontstond al snel een onhoudbare situatie. Met name het vollen van de geweven lakenstoffen in de vollerijen droeg sterk bij aan de verontreiniging van het grachtwater waardoor het stadsbestuur in 1591 besloot de vollerijen in één stadsdeel samen te brengen en het grachtwater uit dit stadsdeel van tijd tot tijd af te voeren naar de buiten van de stad gelegen sloten. In maart 1608 ging men nog een stap verder door voor deze kunstmatig waterverversing een speciale vuilwatersloot te graven naar een nieuw te plaatsen molen met grote maalcapaciteit waardoor het vuile water beter richting de plassen ten noorden van de stad, nu bekend als de Kagerplassen zou kunnen worden gebracht. Alhoewel men in de stad wel ervaring had met de bouw van standerdmolens (op de stadswallen stonden er destijds zestien) besloten Burgemeesters en Schepenen voor de bouw van de windwatermolen eerst elders hun licht op te steken. Gedurende de eerste maanden van 1608 was men namelijk begonnen met de bedijking en het uitmalen van het Beemstermeer met krachtige poldermolens voorzien van een ‘inventie’. Door de twee molenmakers Pieter Claeszn en Pieter Pieterszn was in november 1607 octrooi verkregen voor molens uitgerust met twee schepraderen waardoor zo’n molen aanmerkelijk meer, tot wel vijftig procent extra water kon uitwerpen. De stadssecretaris en de stadsmeestertimmerman lieten zich op dinsdag 21 oktober 1608 per schuit vanuit Leiden naar het Spijkerboorgat, de doorvaart vanaf het Starnmeer naar de Beemster varen om daar de nieuwe molens te inspecteren. Op 26 oktober 1608 leverden zij bij Burgemeesters en Schepenen een verslag met hun bevindingen en advies in met daarbij de getoonde kaart van Cort met aantekeningen.

De tekst in de marge is de volgende:

Transcriptie Hertaling
Den buyten ring zal ten minsten
xm roeden lang zal zijn en[de] als men
voor den bozem daer de binnen moe=
lens op zullen maelen en[de] om mit
eenen te dienen voor een vaert
maecke een graft of weteringe van
xxv roeden wijtte zo zal men verlie=
zen 417 morgen landts
De ringvaart (boezem) waarop de molens zullen uitwateren zal tenminste 10.000 roede (37,7 km) lang zijn. Als de vaart ook voor scheepvaart gebruikt wordt moet deze 25 roede (94 m) breed zijn en zal men 417 morgen (354 ha) land verliezen.
De Beemster zo die jegenwoordelicken be=
dijct wert zeijt men dat groot zoude zijn
9000 mergen comt de superficie of
vlacte van dien viercante roeden
5400000 voeten 777600000
Ende men zeijt dat de voors[chreven] Beemster
deur de banck mit water diep staet zes
roede voeten zo dat in haren rinck
of te leggen dijcken of caden gesloten
zouden zijn 4665600000 taer=
ling of cubycke voeten waters geno=
men dat 5 cubycke voeten maecken
een ton of vat waters comt
933120000 te weten negenhon=
dert driendertich millioenen hondert
duyzent e[nde] twintich duyzent vaten
waters
De Beemster zoals die nu bedijkt wordt, is naar men zegt 9000 morgen (7650 ha) groot hetgeen overeenkomt met 5.400.000 vierkante roede of 777.600.000 vierkante voet.
Men zegt dat de Beemster gemiddeld zes voet (1,88 m) diep is, zodat na het sluiten van de ringdijk het watervolume bedraagt 4.665.600.000 teerling (140.000.000 m3, 1 teerling is gelijk aan 1 kubieke voet) of 933.120.000 vaten water (waarbij 5 kubieke voet overeenkomt met 1 vat).
Om ’t zelve water uyt te malen
zijn besteet 42 moelens van eender
grootte in vougen dat men hout dat
elc even veel zal uytmalen comt tot
last van elcken moelen 22217143 va=
ten. Ende als men gissinge maect
dat alle de moelens gesamentlicken
in een etmael ’t welck zijn 24 uyren
een duym waters zouden connen uyt
werpen en verlagen zo zouden zij de
plasse connen uytmaelen in 72 dagen
en[de] zoude elcke moelen in der daet
loozen 308571 vaten ’s daechs
Om deze hoeveelheid water uit te malen zijn 42 molens van gelijke grootte aanbesteed hetgeen betekent voor elke molen 22.217.143 vaten (3.4329.213 m3).
Als men stelt dat alle molens tesamen in 24 uur het peil 1 duim (2,62 cm) kunnen verlagen dan zouden zij het water uit het 188 cm diepe meer in 72 dagen kunnen leegmalen waarbij elke molen 308.571 vaten (47.767 m3) per dag uitwerpt.
Genomen dat een achtcante moelen
mit elcken ommegang van ’t waterrat
uytwerpt 20 vaten waters en[de] in
elcker uyr ommegaat 240 malen
te weten elcke minuyt 4 werven
zo zoude elcke uyr uytgeworpen
werden vaten 4800 ende in het
etmaal 115200 ’t welc stijf
een derdepaert van de boven gecalcu=
leerde somme
Als men aanneemt dat een achtkante molen met elke omwenteling van het waterrad 20 vaten (3,10 m3) uitmaalt en elk uur 240 omwentelingen maakt (4 per minuut) dan wordt door elke molen per minuut 80 vaten (12,4 m3) en per etmaal 115.200 vaten (17.833 m3) uitgemaald. Dit is iets meer dan een derde deel van de hierboven berekende hoeveelheid.

Alle maten zijn Rijnlands; 1 morgen = 0,850 ha, 1 roede = 3,767 m, 1 voet = 0,314 m. Verder is 1 teerling = 1 kubieke voet = 30,96 dm3, 1 vat = 5 kubieke voet = 154,8 dm3

In de eerste alinea berekent de schrijver de oppervlakte van het land nodig voor het graven van de ringvaart. De vaart is geen 25 roede (94 meter) breed geweest, maar de maat geeft de totale breedte van de strook land aan die gebruikt werd voor dijk en ringvaart. De stad Alkmaar had op 19 september 1607 al bedongen dat rondom nagenoeg de gehele droogmakerij een 15 tot 19 meter brede en ruim 2 meter diepe vaart zou worden aangelegd. Dit om de doorstroming van water gemalen uit polders ten westen van de Beemster naar de Zuiderzee te garanderen. Hoorn sloot zich in november 1607 bij deze eis aan in verband met de scheepvaart naar Amsterdam en bepleitte een zo recht mogelijke vaart (‘gelijk de vaart van Den Haag naar Delft’). Hierdoor zal op sommige stukken van de ringsloot meer land nodig zijn geweest. De dijk werd immers niet in het meer gelegd maar de ringvaart werd in de oever van het bestaande land gegraven. De uitdrukking ‘verliezen’ in de tekst slaat dus niet op een vermindering van de droog te leggen wateroppervlakte maar op de gronden die moesten worden aangekocht voordat men met het eigenlijke uitmalen kon beginnen.

In de berekening van de tweede alinea wordt het uit te malen watervolume berekend, waarbij wordt uitgegaan van de bekende oppervlakte van het meer en een geschatte gemiddelde diepte van nog geen twee meter. Duidelijk blijkt uit de tekst dat de schrijver deze gegevens niet uit eigen kennis opschrijft maar ze van een ander heeft verkregen. Wie deze bron was, is niet bekend.

De derde alinea betreft de berekening van de waterverplaatsing per molen per dag. De schrijver heeft vernomen dat er 42 molens geplaatst zullen worden, die het in de tweede alinea berekende watervolume gaan uitmalen. Daarmee is bekend dat elke molen bijna 3,5 miljoen m3 water in de boezem zal moeten uitwerpen voordat het meer gaat droogvallen. Deze 42 molens zouden het waterpeil van het meer in één dag één duim (2,62 cm) moeten kunnen verlagen. Bij een diepte van zes voet (188 cm) zou de klus dan in 72 dagen geklaard moeten kunnen zijn! Hierbij wordt voorbij gegaan aan het feit dat in het Hollands weer geen enkele molen 72 dagen 24 uur per dag maalt. Ook is niet meegenomen dat door de ringdijk water inlekt, terwijl ook de regenval in die periode buiten beschouwing is gelaten. Maar er werd wel een indicatie van de maalduur verkregen op basis waarvan de Compagnie van Bedijkers -de investeerders- de bouw van de molens konden gaan inplannen.

Tenslotte berekent de schrijver in de vierde alinea van de achtkante poldermolens de maalcapaciteit per molen per dag. Hij stelt dat het scheprad van de molen 4 omwentelingen per minuut maakt, hetgeen bij een gangbare overbrengingsverhouding betekent dat de wiekenas 6 keer per minuut ronddraait. Dit vrij lage draaitempo betekent dat er per molen in één minuut slechts 80 vaten (12,4 m3) water de ringvaart in wordt gemalen, hetgeen maar een derde deel is van de in de derde alinea berekende maalcapaciteit per molen. Er zouden dus drie keer zoveel molens nodig zijn als in de derde alinea berekend was.

Op de kaart ontbreekt verder commentaar terwijl ook in het reisverslag de uitkomst van deze berekeningen niet expliciet wordt gebruikt. Wel worden in het verslag nadelen van een poldermolen met twee schepraderen besproken. Het stadsbestuur van Leiden besloot eind oktober 1608 dan ook een achtkante molen met maar één scheprad te plaatsen [zie Molendatabase.org, dbnr. 2600], in de verwachting dat de kwaliteit van het grachtwater daardoor aanzienlijk zou verbeteren.

Onbekend is wie de informatie in de eerste drie alinea’s aan Jan van Hout en Jan Ottenszn verstrekte. Mogelijk was het de Leidse molenmaker Verspeck die zij daar bij de Beemster tot hun verrassing -zo blijkt uit het reisverslag- bij een molen aantroffen. Waarschijnlijk stonden zij met hem op de dijk waar nieuwe achtkante poldermolens volop water uitmaalden. Met aan één zijde de nieuwe ringvaart en aan de andere zijde de nog uitgestrekte watervlakte van de Beemstermeer die binnen afzienbare tijd zoveel vruchtbaar land zou gaan opleveren.

Wim Zalm, Leiden, 17 dec. 2019.

Highslide JS
In januari 1609 was al zo veel water weggepompt dat de Beemster op een laag zomerpeil stond. Intussen stonden er 26 molens, in 13 tweetraps gangen. Deze lagen parallel met de dijk, omdat alleen daar, op de randen van het oude land, gebouwd kon worden. Pas de latere derde en vierde trappen zouden op het nieuwe land gebouwd worden. Wat aan de plaats van de molengangen opvalt, is dat deze op een enkele uitzondering na niet aansluiten op de tochtsloten. Dit valt te verklaren uit het feit dat het ontwerp van het wegen- en slotenplan van de Beemster pas in 1611 werd gemaakt, nadat de meeste molens al een aantal jaren gemalen hadden. Hierdoor kwamen de meeste molenkolken ongunstig in agrarische kavels te liggen.

Eind 1609 was het pompen zo ver gevorderd dat overal, behalve in de Kil (de oude bedding van de rivier Bamestra), de bodem droog lag. Op 20 januari 1610 liep de verse polder echter weer vol, toen als gevolg van een breuk in de Zuiderzeedijken ook de nog weke Beemsterdijk (met goedkeuring van Jan Adriaensz. gemaakt van veen!) het begaf. Drie molens werden door de storm omver geblazen en een tiental raakten er ernstig beschadigd. Men besloot direkt daarna om een grotendeels nieuwe ringdijk te maken, op de meeste plekken meer landinwaarts, zo hoog dat hij een meter boven het omringende land uitstak, en niet meer van veen maar van klei. Vanaf 25 juni 1610 maalden enkele molens weer. De laatste aanbestedingen voor het herstel en vernieuwen van de vernielde dijkparken vonden echter pas in de loop van augustus 1610 plaats, zodat het uitmalen van het water vermoedelijk in september/oktober 1610 echt kon worden hervat. De ondermolens werden tijdelijk als extra bovenmolens ingezet om de hervatte droogmaking te bespoedigen. Nadat de dijk eind 1610 helemaal volgens bestek afgemaakt was, besloten de bedijkers dat er 30 molens benodigd zouden zijn (zie Nationaal Archief, een kaart waarop de plaatsen van de 30 molens/ 15 tweegangen van eind 1610 aangetekend lijken te zijn met een "2").


Maar begin 1612, na wat verplaatsen en bijbouwen van molens, stonden er al 43 molens, waarmee over het algemeen een drietrapsbemaling tot stand was gebracht. Op 19 mei 1612 was de drooglegging nogmaals grotendeels voltooid [volgens dominee A. Wolff, 1740]. Alleen de laaggelegen Kilpolder stond nog deels blank, hier werden de twee Spijkerboorder molens heen verplaatst. Op 4 juli 1612 brachten volgens Leeghwater de prinsen Maurits en Frederik Hendrik van Oranje een bezoek aan de nieuwe polder, op 30 juli 1612 vond de kavelverloting plaats.

Highslide JS

Op 4 juli 1612 brachten volgens Leeghwater de prinsen Maurits en Frederik Hendrik van Oranje een bezoek aan de nieuwe polder, voor dit verhaal zijn echter nog geen andere bronnen gevonden. In de negentiende eeuw werd het tafereel van die dag wel uitgebeeld:

Afb. op titelblad van Drietal gedenkwaardige tafereelen uit de geschiedenis van Noord Holland door D.R. Erdbrink, 1854. C.C.A. Last, del., Steend. van F. Boger.
De feestelijke ontvangst van de prinsen, met reeds opschietende bomen in de pas drooggevallen polder, en de korenmolen waarvoor pas in 1614 vergunning werd verleend.

Highslide JS

Afb. op titelblad van Grootvaders memorieboek. Schetsen uit den tijd der Fransche Overheersching in Noordholland, door J. Bouman, 1863.
Bouman moet beseft hebben dat de bomen en de molen niet klopten, en heeft een nieuwe versie laten maken.

In 1862 werd bij gelegenheid van het jubileumfeest van de Beemster een met de hand ingekleurde feestprent verkrijgbaar gesteld met, goud omlijst, een impressie van de begroeting van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik door Dirck van Oss op "den vierden dag van July's schoone dagen".
Bron: Portret van de Beemster 1962/ 1970.
Bij het jubileum in 1937 werd die centrale tekening opnieuw uitgegeven in koper, met linksboven een portretje van Dirck van Oss en rechtsboven van J.A. Leeghwater.


De kosten voor nieuwe molens werden in maart 1613 door de molenmakers Jan Adriaenszoon Leeghwater en J. Huiberts beraamd op ƒ 5470 per molen. Gedurende 1613 en 1614 werden de molens afgetimmerd, tot dan toe stonden ze er als kale geraamtes bij. Dit was natuurlijk niet bevorderlijk voor het binnenwerk, maar wel voor de droogmaking: een kale molen levert immers een beter rendement dan een bedekte. Eind april 1615 werd besloten de betimmering niet meer aan te besteden, maar de timmerlieden zelf in dienst te nemen. De volgende timmerbazen van dit werk werden door de Hoofdingelanden ingehuurd voor 's zomers ƒ 1,10 en 's winters ƒ 0,90 per dag (de knechts kregen 2 stuivers minder):

plaatje

  • Jan Huibertsz. voor de 12 Kruisoorder en de 3 Havermeerder molens, en de Kilmolen oost.
  • Pieter Cornelisz. voor de 3 Wouder, de 3 Schermerhorner en de 3 Avenhorner molens.
  • Jan Cornelisz. voor de 3 Kwadijker en de 3 Hobreder molens.
  • Jan Seymonsz. voor de 3 Rijper en de 3 Volger molens, en de Kilmolen west.
  • Huibert Cornelisz. voor de 3 Draaioorder, de 2 Purmerender en de 2 Jisper molens.

Op het kaartfragment van Van Berckenrode uit 1644 de timmerwerf bij De Rijp, in de onderdijk tussen de Rijpergang en de Graftdijkergang.


In 1617 waren er 45 molens, waarvan het onderhoud meer dan ƒ 20.000 per jaar kostte. In de loop der volgende jaren werden de waterlopen in de Beemster sterk verbeterd. Verscheidene molens werden grotendeels vernieuwd, sommige verhoogd of verlaagd, en enige verplaatst. En toch kon het waterpeil nog niet overal naar wens beheerst worden. De sterke inklinking zorgde ervoor dat grote delen van de bodem van de 7200 ha grote Beemster in enkele tientallen jaren een meter daalden.

plaatje Naar aanleiding van die grote bodemdaling, alsmede de wens om het waterpeil een voet te verlagen om de landerijen beter te laten uitzakken, werden er in 1632 en de jaren erna flinke wijzigingen in de molenstand aangebracht: er werd een vierde molentrap ingevoerd.
Hiervoor werden 5 nieuwe ondermolens bijgebouwd, tevens werd er bij de Beets een extra molengang toegevoegd. Vier molengangen werden opgebroken, de 12 molens naar andere gangen overgebracht, en zelfs een geheel nieuwe molengang toegevoegd: de Graftdijker molens. Hiermee kwam het aantal molens op 49. Bij de Kruisoorder molengang werd nog een extra bovenmolen toegevoegd, vanwege de vaak hoge waterstanden in de Ringvaart. Daarna zijn vanaf 1636 de schepradmolens zo blijven staan tot de vervijzeling rond 1850. Het toenmalige polderbestuur lukte het om onder normale omstandigheden met deze 50 molens de polder droog te houden.

Verder naar Locaties
Impressum
plaatje Klik hier voor de Indexpagina

© 2005-2014 Michiel Hooijberg