|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ontwerp van de Beemster
In 1607 kreeg de gezworen landmeter Pieter Cornelisz. Cort uit Alkmaar (overleden 1608) van de bedijkers de opdracht een kaart van het Beemstermeer te vervaardigen, en de nodige metingen en berekeningen uit te voeren.
Daarna voerden de Hoofdingelanden zelf de onderhandelingen met de omliggende bewoners en besturen over af te stane gronden voor de dijk, en over de afvoerkanalen van het Beemsterwater. Hierbij werden nog geen deskundigen geraadpleegd.
Op 29 maart werd mr. Lukas Jans Sinck weer voor 6 maanden tot landmeter benoemd tegen een salaris van ƒ 3,- per dag, ingaande na Pasen. Toen er begin 1611 nog maar 6 voet water in de Beemster stond vroor deze dicht en konden de landmeters op het ijs aan de gang met meten en peilen, om de juiste herplaatsing van de molens te bepalen. Bij deze gelegenheid werd tevens een nieuwe kaart van de Beemster getekend, waarop 5 hoofdwegen en 4 tochten in de lengte, en 5 hoofdwegen en 4 tochten in de breedte gepland werden. Klik hier om meer te lezen over het ontwerp van de Beemster Tevens werden daarna de kavels uitgezet, want op 30 juli 1612 verdeelde landmeter Lukas Sinck deze door loting onder de inschrijvers, in het slot te Purmerend en onder toezicht van de Schepenen.
Op 15 maart 1613 werd aan een van de andere landmeters, Aug. Bas, gelast de door Uitwaterende Sluizen opgelegde baggerwerken van de Beemster ringvaart voor te bereiden en via aanbesteding te doen uitvoeren.
De aanleg van de ringdijk
Helaas waren er enkele zaken niet goed gegaan: de afmetingen van de dijk waren te klein, nog kleiner dan in het bestek verordend, vermoedelijk werd er veel geknoeid met onjuiste materialen zoals riet om snel grote stukken dicht te maken, en de bedijkers begonnen gelijk na het sluiten van de dijk met het uitmalen van het water zodat hij geen tijd kreeg om zich te zetten. Verder was de dijk voor een groot deel van veen gemaakt, zoals hieronder weergegeven:
Blijkbaar hield de dijk, of beter kade, toch wel even. Maar toen op 22 januari 1610 de Zuiderzeedijken doorbraken en het Zuiderzeewater de Beemster bereikte, werden begrijpelijkerwijs grote stukken van de verse dijk weggespoeld. Het water kwam langs Purmerend door Waterland, waardoor vooral bij Neck grote gaten in de Beemsterdijk ontstonden. Vreemd genoeg onstonden er ook bij De Rijp grote openingen, terwijl dit de van de zee afgewende zijde van de Beemster was en de kade van het Schermereiland het wel hield. Hierna begrepen de bedijkers dat zo'n polderdijk toch wel wat steviger moest zijn. Hij werd nu opnieuw gemaakt van klei, de dijk en de ringvaart werden breder gemaakt, en de vereiste hoogte werd op een meter boven het maaiveld van het oude land vastgesteld. Tussen Spijkerboor en De Rijp was er zo'n ravage dat er meer landinwaarts een geheel nieuw tracé gemaakt moest worden. Ongetwijfeld zal de huijsluijden opgedragen zijn, ditmaal beter toe te zien op de naleving van het bestek!
En inderdaad lukte het droogmaken de tweede keer wel, dit was op 19 mei 1612 gereed.
De bouw van de molens
De commissieleden maakten na afloop van hun bezoek gelijk een grof concept voor het bestek voor de molens. Vervolgens verfijnden de Hoofdingelanden het verder, lieten zich over deze versie nog door de beide molenmeesters uit Den Haag en Hoorn adviseren en corrigeren, en stelden daarna het definitieve bestek vast. Het benodigde hout werd ingekocht, en de huijsluijden Pieter Jansz. uit Graft en Jan Adriaensz. uit De Rijp mochten over de prijs onderhandelen bij de inkoop van het ijzerwerk. Nadat bleek dat de beide hoofdaannemers zich buiten hun schuld niet aan de afspraken konden houden, werd het contract ontbonden. De molens werden verder in eigen beheer van de compagnie der bedijkers gebouwd. Pieter Pietersz. en Pieter Claasz. bleven wel samen met Jan Adriaensz., vanaf 1611 ook Leeghwater genoemd, in dienst om toezicht te houden op de molenbouw. Voor het laatst wordt Jan Adriaensz. Leeghwater genoemd in maart 1613, als hij samen met de andere molenmakers Jan Huibertsz. en Pieter van Stins een commissie van uit de Hoofdingelanden helpt om alle molens te bezoeken en te taxeren. Nadat de molengangen drietraps waren gemaakt werd er met ingang van juli 1613 slechts één opzichter aangesteld voor de hele Beemster, te weten Michiel IJsbrantsz. En de per oktober 1613 aangestelde secretaris Simon Pietersz. van Ilpendam kreeg een jaarsalaris van ƒ 200, "waarvoor hij [ondermeer] gehouden zou zijn opzigt te nemen op de molens en molenaars". De eerste molens werden op de nieuw opgeworpen ringdijk geplaatst voordat de definitieve toekomstige indeling van de Beemster bekend was, op die plaatsen waar de randen van het oude land er het gunstigst voor waren. Hierdoor stonden veel molengangen naar later bleek op ongunstige plaatsen, zodat veel dure kavels doorsneden moesten worden door molentochten. Verder dachten de ondernemers en hun adviseurs wel genoeg te zullen hebben aan 16 molens om de Beemster droog te maken en te houden, uiteindelijk bleken er daarvoor 50 nodig te zijn!
Klik hier voor meer informatie over de molens
De uitvinder van de getrapte bemaling?Reeds in 1607 kwam de tweetraps bemaling ter sprake bij de instructie van een commissie van de Hoofdingelanden van de Beemster. Nergens blijkt dat toen over iets gesproken werd, wat in de praktijk nog totaal onbekend was. In 1608 werden de eerste 16 molens als eerste trap ingezet. De helft was reeds als tweede trap voorbereid, kon dus verlaagd worden als het waterpeil voldoende gezakt was. In 1609 werd inderdaad de tweetraps bemaling ingevoerd, door de helft van de toen aanwezige 26 molens te verlagen. Na de dijkdoorbraken van 1610 werden ze alle tijdelijk weer als bovenmolen ingezet. In 1611 werd de derde trap gerealiseerd door ondermolens bij te bouwen in de droogvallende polder. Lang daarna werd tussen 1632 en 1636 de vierde trap ingevoerd door opnieuw het bijbouwen en verplaatsen van vele molens.
Door toepassing van de aan het scheprad superieure vijzel, reeds in 1634 door Symon Hulsbos gepatenteerd, bleek met één trap minder te kunnen worden volstaan. Met uitzondering van de Starnmeer zou het echter nog tot het midden van de negentiende eeuw duren aleer de poldermolens in de omgeving van het Schermeiland werden vervijzeld.
|
© 2007 Michiel Hooijberg. |