De poldermolens van de Beemster -- Afbraak
Indexpagina
De poldermolens van de Beemster
Opbouw
Bestek
Lokaties
Bedrijf
Afbraak
Beleid
Verwijzingen
Stoomtram door de Beemster en de Schermer
Tramlijn door de Purmer en de Zuidpolder
Stoomtram door de Egmondermeer
Zuiderkogge-tramlijn
De opschepingen van de Beemster
Twintig overhalen in de Beemster?
De buitenplaatsen in de Beemster

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam er een efficiλnter en betrouwbaarder alternatief voor de windmolens beschikbaar: de stoommachine. Onder andere de bekende Beemsterling Wouter Sluis (1827-1891, veehouder, uitvinder, bestuurder) drong aan op vervanging van de windmolens door stoombemaling. In de periode 1877-1885 werden stoomgemalen gebouwd bij Oosthuizen, Beets en De Rijp.

Lieve Maan! zeg, ziet gij heden
Mijn geliefde Beemster niet?
Sla Uw oog eens naar beneden
En vertel mij, wat gij ziet.
Kostelijke eigendommen,
Gansch bedolven door den vloed,
Daar er weer geen wind zal komen
En 't gestadig reeg'nen moet.

Lieve Maan! ziet gij die molens?
Vijftig beste ongeveer!
Allen werk'loos... molens volens.
Wachtend steeds op ander weer;
Heeft daar elk ook erg het land ΰn,
Roept men: "Maakt dat water vort!"
't Antwoord is: "wij willen, -- landman,
Maar... wij komen wind te kort".

Lieve Maan! ziet gij dat lichtje
Aan dien hoogen molenroed?
't Is een seinlicht, als berichtje,
Dat, wie kan, ook malen moet.
Maar wie zal zijn schuld betalen,
Als hij heeft gebrek aan splint?
Welke molen kan er malen,
Als hij vruchtloos wacht op -- wind!

Leer bestuurderen te zeggen:
"'t Is zo, -- 't kan zo langer niet",
Leer hun: ernstig overleggen
Wat belang en plicht gebiedt;
Naar een voorbeeld om ons henen,
Stellen 't water perk en toom",
Roept men: "Wie zal hulp verlenen?"
"Ik"! Is 't antwoord van de stoom.

Van een onbekende dichter, ca. 1870.

Als eersten werden op 13 mei 1880 de drie overgebleven molens van de Draaioordergang bij publieke verkoop verkocht voor ƒ 1780.

Op 25 mei 1882 werden weer 10 molens aangeboden, van de Jispergang, de Graftdijkergang en de Woudergang. Negen molens werden verkocht voor een totaal van ƒ 3570,-, ιιn molen aan de Jispergang werd opgehouden op een bedrag ƒ 390. Op 22 juni werd die molen onderhands verkocht aan K. Bouman voor ƒ 440, de 10 molens brachten dus tezamen ƒ 4010 op. De percelen waar deze molens op stonden brachten ook nog eens ƒ 7733,55 op.
Blijkens een advertentie in de Purmerender Courant van 2 juli 1882 verkocht deurwaarder J. Vogel op 5 juli 1882 op het Woud, en op 6 juli bij het geamoveerde Graftijkergang: "ijzeren en houten molenassen, roeden, bindten, spanten, stijl- en rondhout, kozijnen, ramen, deuren, zolder-, vloer- en schotdeelen, strooisel en dekriet, enz."
Op 9 augustus werden op het terrein van de geamoveerde Wouder molen, bewoond door Simon Langenberg, de onderdelen van de molen publiekelijk verkocht. Op 24 augustus werden onderdelen van de Jisper molens verkocht. Op 22 september werden de onderdelen van de Jisper ondermolen verkocht. Deze waren om het transport te vergemakkelijken reeds aan de Ringdijk gebracht. En op 19 oktober werden aan het Graftdijker gang weer onderdelen publiek verkocht. Op 21 dec. 1882 werden een molenerf van resp. het Jispergang, het Graftdijkergang en het Woud, publiek verkocht. Op 4 mei 1883 vond aan het Jispergang nog een openbare verkoping plaats van "eiken werk- en brandhout, een ijzeren molenas en ander ijzerwerk enz.", en op 3 januari 1884 werd aanbesteed "het egaliseeren van de Woudermolenkolkdijk, enz.".

Sloop vd Beetskoogmolen in 1956 Op 17 mei 1883 deelde de dijkgraaf mede de assen en roeden van molens Nr. 25 en 28 voor ƒ 400 verkocht te hebben. 14 juni van datzelfde jaar werden de molens Nr. 25, 26, 27, 28 en 39 openbaar geveild in het Gemeentehuis te Middenbeemster. De eerste vier, van de Beetsergang, werden voor respectievelijk ƒ 380, ƒ 380, ƒ 450 en ƒ 420 verkocht. Molen Nr. 39, de Kilmolen oost, ging voor ƒ 555 van de hand. Tezamen bedroeg de opbrengst na aftrek van ƒ 40 klokgeld dus ƒ 2145.
Op 23 augustus 1883 zou deurwaarder J. Vogel "op het terrein van den geamoveerden KILMOLEN aan de Middenweg bij de Assemerbuurt te Beemster om contant geld verkoopen de AFBRAAK van die Molen bestaande in timmer- en brandhout." Op 20 augustus werden door deurwaarder J.W. Woestenburg aan het Beetsergang "eiken palen en ribben, een partij deelen, ramen, kozijnen en brandhout" verkocht. Op 29 augustus "eene aanzienlijke partij timmer- en brandhout, best dekriet, oude steenen enz." Op 5 sept. 1883 zou "op het terrein van den gesloopten Watermolen, bewoond geweest door J. Kerkhof, nabij den Oosthuizer- en Middenweg te Beemster, om contant geld worden verkocht DE AFBRAAK VAN DIEN MOLEN, als balken, enz."

Volgens een bericht in de Purmerender Courant van 10 februari 1884 werd aan de Westdijk "een kind zoodanig door een molenwiek getroffen, dat het eenige uren daarna aan de gevolgen daarvan is overleden." In de krant van 9 maart 1884 stond dat een 76-jarige molenaar in zijn molen aan de Westdijk van de trappen was gevallen. De ongelukkige was onmiddelijk dood.

Op 19 juli 1884 trof blikseminslag de ondermolen van de Kwadijkergang (Nr. 9, volgens de Purmerender Courant van 23 juli 1884 bewoond door E. Kramer, wiens inboedel was verzekekerd) en de bovenmolen van de Volgergang. In de laatste woonde volgens de Purmerender Courant de heer Schouten, die juist op het land werkzaam was toen de bliksem insloeg. "Groot was de schrik van zijn vrouw en kind, die zich in den molen bevonden en van den bakker D. die daar even was gaan schuilen ...". De restanten brachten toch nog respectievelijk ƒ 200 en ƒ 90 op. Volgens de Purmerender Courant sloeg 23 juli de bliksem in een andere molen van het Kwadijkergang in, maar "het vuur werd spoedig door den molenaar gebluscht."
Op 26 juli werden de molens Nr. 29, 36 en 37 van de Beetsergang verkocht voor respectievelijk ƒ 685, ƒ 450 en ƒ 410, of na aftrek van onkosten voor ƒ 1515 netto. Op 24 september werd aan de Ringdijk nabij Beets publiek verkocht "eene aanzienlijke partij AFBRAAK VAN EEN MOLEN, die slechts 14 jaren heeft gestaan, waaronder dientengevolge zoo goed als nieuw timmerhout en best brandhout. Voorts een partij oude steenen ..."
Op 7 november 1884 vond een houtveiling plaats aan de Noorddijk, "van een aanzienlijke partij MOLENAFBRAAK, bestaande in eiken balken, dito palen en deelen, greenen en vuren deelen, binten, ... vloer- en zolderdeelen, metselsteenen, enz."
Bericht in de Purmerender Courant van 12 nov. 1884: "Hoofdingelanden van de BEEMSTER hebben goedgekeurd het voorstel van Dijkgraaf en Heemraden, om het derde stoomgemaal te plaatsen bij het dorp Beets. Wanneer dit in gebruik zal zijn genomen, kunnen DE MOLENS geheel vervallen."

Per 1 mei 1885 moesten de resterende drie molens van de Volgergang, alsmede nog drie molens van de Beetsergang (Nr. 33, 38 en 44), door de bewoners verlaten zijn. Uit deze molens werden voor ƒ 700 zes ijzeren roeden verkocht aan het polderbestuur van de Schermer. Daarna werden op 21 mei de zes molens zelf verkocht voor ƒ 2560.

Op 1 april 1886 vond bij de watermolen aan de Nekkerweg, bewoond door A. de Groot, een verkoping plaats van "boomen, hekken, planken, palen, enz., enz. voor afbraak (P.C. 24 maart 1886). Verder werd in de Purmerender Courant van 28 april 1886 een schuur aangeboden ter verplaatsing, bij de molen No. 45.
In 1886 kwamen op 24 juni de resterende molens van de Kwadijkergang, en weer vier van de Beetsergang onder de hamer. De opbrengst van de 7 molens was ƒ 3060 na aftrek van de kosten. Volgens de P.C. van 4 juli 1886 werden er twee gekocht door J. de Vries te Purmerend voor ƒ 440 en ƒ 375, ιιn door A. Molenaar te Middelie voor ƒ 480 en vier door G. Honijk te Purmerend voor ƒ 420, ƒ 475, ƒ 505 en ƒ 480.
Op 22 juli was er bij de Beetser timmerwerf een openbare verkoping van een partij nieuwe overgebleven artikelen. Aan de tweede molenwerf bij de Kwadijkerbrug werd op 28 juli een aanzienlijke partij hout verkocht. Op 29 juli verkocht het waterschap weer overgebleven onderdelen. Verder werd op 24 september het niet meer nodige molenmateriaal op de werf De Beets van de hand gedaan voor ƒ 855,47, slechts de helft van de taxatiewaarde. Op 26 september werd op de Nekkerweg een aanzienlijke partij zoo goed als nieuw werk- en brandhout verkocht, op 8 oktober weer een partij hout op de eerste molenwerf bij de Kwadijkerbrug. Op 23 november 1886 werd de Kilmolen west voor ƒ 900 overgedaan aan het bestuur van de polder Overdie en Achtermeer ter vervanging van hun afgebrande molen, de afbraak begon op 27 december. En op 24 november vond de laatste houtveiling plaats van de vier geamoveerde molens nabij de Nekkerweg.

Op 16 februari 1887 werd er weer molen-afbraak verkocht, bestaande in werk- en brandhout, bij het opeinde van de Nekkerweg. Op 10 juni werden er weer 7 molens verkocht, waarvan de totale opbrengst ƒ 3790 bedroeg. Dit waren volgens de advertentie in de P.C. van 5 juni 1887 de vier molens van het Rijpergang en drie molens van het Beetsergang.
Op 7 september 1887 was er weer een "houtveiling van molen-afbraak" aan de Westdijk. Op 13 oktober was er een verkoop van "molen-afbraak" aan de Kolkdijk bij de Westdijk, op 19 oktober gevolgd door een aanzienlijke partij werk- en brandhout aan de Oosthuizerweg bij de Nekkerweg. Op 9 november 1887 was er een veiling van "molen-afbraak" op de opscheping bij de Beemsterbrug.
De molenkolk in de Groote Kil, gelegen tussen de Wormerwegsloot en de Westersloot, alsmede de kolken, kolkdijken en twee molenerven van het Rijpergang werden op 8 december 1887 publiek verkocht.

En de laatste vier molens, van het Beetsergang "staande langs den Ringdijk tusschen Beets en Oudendijk", volgden op 28 juni 1888, zij brachten respectievelijk ƒ 650, ƒ 650, ƒ 580 en ƒ 530 op. De Gemeente Beemster nam de beide brandspuiten van het Waterschap over, en breidde haar arsenaal hiermee uit tot vijf stuks. Op 29 augustus en 18 november werd aan de Noorddijk tussen Beets en Oudendijk nog "molen-afbraak" verkocht: "uitmuntend werk- en brandhout, als eiken palen, ribben, planken, kozijnen, ramen en deuren, schotdeelen, 4 molenroeden, oude steenen enz., alles afkomstig van twee watermolens en liggende zeer geschikt tot het vervoer. Om contant geld."

Op 10 januari 1889 werden "de molenerven van het voormalig Beetsergang Watermolens, in perceelen, breeder bij biljetten, te zamen groot 14 hectaren, 59 aren en 40 centiaren" publiek verkocht onder leiding van notaris D. van Os uit Purmerend. "Informatiλn te bekomen bij den Generalen Opzichter den Heer van Kleeff te Beemster en bij den Notaris" (P.C. 9 januari 1889). Dit was A.W. van Kleeff, die op 28 juni 1887 op eigen verzoek eervol werd ontslagen als hoofdopzichter, maar nog wel als landmeter werkzaamheden bleef verrichten.

De grote windmolens zijn vanwege de invoering van de stoombemaling in de tachtiger jaren van de negentiende eeuw verdwenen, maar op veel plaatsen is door de afwijkende verkaveling nog wel te zien dat er iets gestaan heeft. De percelen waar een molengang gestaan heeft zijn vaak wat hoger dan het omliggende land, de onderdijk is veel breder dan elders of de dijksloot ontbreekt helemaal.

De kolkdijken en hoge molenwerven werden geslecht. Ongetwijfeld zijn ook nu nog in de bodem sporen aanwezig van verschillende molens, met name van de dieper gelegen delen. Men verwijderde indertijd niet meer dan strikt noodzakelijk was. Zo bleef na het slopen van de Kilmolen een ware ruοne over van waterlopen, metselwerk, fundering en kelder. Doorgaans was er in de Beemster na het afgraven van de kolkdijken ruimschoots voldoende grond om de molenkolk te dempen, waardoor de oude molengronden aan hun hogere ligging zijn te herkennen.


Ter gelegenheid van het 325-jarig bestaan van de Beemster, werd in 1937 op een erepoort het verschil in bemaling uitgeduid: rechts een door Jan van Egmond te Noordbeemster gemaakte miniatuurmolen, en links een miniatuur stoomgemaal.

Tot april 2003 zat in Poldermolen E in de Schermer een zeer oude Potroede, nr. 923 uit ca. 1876, afkomstig van een Beemster-molen en met een andere hekafstand dan in de Schermer gebruikelijk. Deze oude roede wordt thans bewaard bij de Museummolen D van de Schermer.

De kap van Poldermolen M in de Schermer heeft in tegenstelling tot alle andere molens van de Schermer geen rechte maar ronde kapspanten waardoor deze een bolle vorm heeft. Ook de baard wijkt door zijn uitbundige versieringen af van andere Schermermolens. Aangenomen wordt dat deze kap afkomstig is uit de Beemster.

Het spoorwiel in de korenmolen De Nachtegaal aan de Hobrederweg is hoogstwaarschijnlijk een onderdeel geweest van de rond 1884 gesloopte Kilmolen De Meerkat. Op het spoorwiel staat het jaartal 1704, het is hier dus opnieuw gebruikt. Het boventafelement en de kap kwamen eveneens van De Meerkat, de kap werd rond 1950 verkleind tot de huidige afmetingen. De gietijzeren bovenas fabr. De Prins van Oranje ('s-Gravenhage) nr. 993 uit 1875 kwam ook van De Meerkat.



In 2009 werden aan de Noorddijk weer twee "verzonken wieken" geplaatst.

Verder naar Beleid

Impressum
© 2006 Michiel Hooijberg.

Klik hier voor de Indexpagina.