De poldermolens van de Beemster -- Opbouw
Indexpagina
De poldermolens van de Beemster
Opbouw
Locaties
Bedrijf
Ontevredenheid
Afbraak
Stoomgemalen
Verwijzingen
Jan van Egmond
Stoomtram door de Beemster en de Schermer
Tramlijn door de Purmer en de Zuidpolder
Stoomtram door de Egmondermeer
Zuiderkogge-tramlijn
De opschepingen van de Beemster
Twintig overhalen in de Beemster?

Op 14 april 1607, tijdens de Tachtigjarige Oorlog met Spanje, werd een onderneming - de compagnie der bedijkers - opgericht om de drooglegging van het Beemstermeer te realiseren. Hierin zaten naast kooplieden vertegenwoordigers van de Staten van Holland en Westfriesland, allen rijke lieden die in de droogmaking een goede investering zagen.

Highslide JS

"Jan Adriaensz. houdt toezicht bij de bouw van de watermolens in de Beemster. Links worden heipalen geslagen in een opgeworpen dijk."
Tekening van Taco Scheltema, gravure door W. Steelink, uitgeverij A.W. Sijthoff, Leiden, ca. 1880.

Hoewel hen verscheidene nieuwe uitvindingen werden aangeboden, gaven de bedijkers voor het uitmalen de voorkeur aan achtkante molens met het gebruikelijke scheprad. Wel werd op 29 november bij de achtkante oliemolen van Jan Adriaensz. uit De Rijp gekeken, alsmede met Pieter Pietersz. uit De Rijp en Pieter Claesz. van de Vuile Graft (West-Graftdijk) gesproken, om te beoordelen of hun uitvindingen van nut zouden kunnen zijn. De verbeteringen van Jan Adriaensz. werden niet gebruikt.

Omdat de beide Pieters beloofden dat hun molens 50 procent beter zouden presteren dan de gangbare, werd overeengekomen dat er twee molens volgens hun ideλen gebouwd zouden worden Later kregen zij onderhands het contract voor de bouw van alle 16 molens. Dit werden achtkante binnenkruiers met een scheprad, klik hier voor het complete bestek waaraan ze moesten voldoen.

Of de verbeteringen van beide hoofdaannemers in de molens gebruikt werden en de beloofde opbrengst leverden, wordt niet vermeld. Wel werden zo gauw het even mogelijk was, direkt na de drooglegging in 1612, twee van de Beemstermolens bij Purmerend voor afbraak verkocht. Dit was zeer ongebruikelijk, omdat er grote behoefte was aan extra molens op andere locaties binnen de Beemster. Mogelijkerwijze waren deze twee molens de experimentele bouwsels (met o.a. een afwijkende constructie van molenlijf en bovenwiel) van Pietersz. en Claesz. en werden ze verwijderd omdat ze als poldermolens niet aan de verwachtingen voldeden. Waar de beide molens weer opgebouwd zijn is niet bekend, mogelijke kandidaten zijn oliemolen De Zwaan aan de overzijde van de ringvaart, oliemolen De Zoeker in Zaandam, en oliemolen De Valk in De Rijp.

Wat de uitvinding van de beide Pieters behelsde, blijkt uit een toevoeging van 10 artikelen aan het bestek van de Beemstermolens. Het gaat om de toepassing van twee schepraderen in plaats van ιιn, waardoor de constructeurs ervan uitgingen dat twee van hun molens evenveel zouden presteren als drie gangbare molens. De bedoeling was dat er bij harde wind met twee, bij zwakkere wind met ιιn scheprad gedraaid kon worden, regelbaar met kleppen in de waterlopen. Op hun idee verkregen kregen de uitvinders op 13 november 1607 octrooi nr. G 101 van de Staten Generaal.
(bron: Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden uit de 16e-18e eeuw, G. Doorman, 1940.)

Reeds snel na de aanbestedingen werden 10 molens extra besteld, wellicht bleek al snel dat de beide Pieters hun beloofde maalcapaciteit (met twee molens uitmalen wat normaal drie molens deden) niet konden waarmaken.



Rond de jaarwisseling 1607 - 1608 werd de bouw van 16 molens aanbesteed, welke op 30 mei opgeleverd moesten worden. De aanbesteding vond plaats op kosten en lasten van de aannemers, doch op naam van de Hoofd-Ingelanden. Het ging om 14 nieuwe molens, die door molenbouwers uit heel Noord- en Zuid-Holland aangenomen werden, waaronder ook Pieter Claasz. zelf. Het ijzerwerk voor de in Zuid-Holland bestede molens werd door een smid in Delft geleverd. Verder werd er een gebruikte watermolen aangekocht in Mastenbroek, alsmede een korenmolen in Schiedam, die omgebouwd moest worden tot watermolen [het contract vermeldt echter 10 nieuwe molens en "6 goede, vaste en sterke oude watermolens, die nogtans niet ouder zijn dan 10 of 12 jaar"]. Tevens waren er 6 of 8 kleine molens nodig "zoo als men behoeven en van doen zal hebben tot het maken en drooghouden van eenige kolken of diepten in de ingsloot, ringdijk of elders in de Beemster, en dat gedurende den tijd van droogmaken en drooghouden."

De aanbesteding aan de onderaannemers verliep van 31 december 1607 tot 18 februari 1608 als volgt:

  • 1. Cornelis Symonsz. de Boer, bij Delft, ƒ 3550.
  • 2. Pieter Gerritsz. Verspek, Leiden, ƒ 3600.
  • 3. Cornelis Arentsz., Schiedam, ƒ 3625.
  • 4. Cornelis Symonsz. de Boer, bij Delft, ƒ 3625.
  • 5. Syverd Jansz., Delft, ƒ 3625.
  • 6. Symon Claasz., Graft, ƒ 3700.
  • 7. Pieter Jansz., De Rijp, ƒ 3650.
  • 8. Pieter Claasz., Vuile Graft (West-Graftdijk), ƒ 3675.
  • 9. Soest Roelofsz. en Aart Jansz. de Wit, Woerden, ƒ 3750.
  • 10. Cornelis Jansz., Alkmaar, ƒ 3750.
  • 11. Syverd Jansz., Delft, ƒ 3660.
  • 12. Pieter Gerritsz. Verspek, Leiden, ƒ 3645.
  • 13. Aangekocht van burgemeester Oltgens, Mastenbroek.
  • 14. Jacob Meusz., Den Haag, ƒ 3600.
  • 15. Dirk Fransz., Delft, ƒ 3600.
  • 16. Gekocht een korenmolen van Symon Bouman, Schiedam, ƒ 2375. En tot een watermolen te veranderen besteed aan Cornelis Adriaansz., Schiedam, ƒ 1363, samen dus ƒ 3738.

Reeds begin maart 1608 werd besloten om nog vijf extra watermolens te laten bouwen. De molenbouwers uit Delft wilden ze alle vijf graag aannemen, maar op 6 maart kregen ze te horen dat dat niet doorging. Twee van de hoofdingelanden namen toen op zich, de vijf extra molens te doen aanbesteden aan de beste molenmeesters, en zo goedkoop mogelijk. In de loop van het jaar moet besloten zijn, het aantal molens tot 26 uit te breiden.

Highslide JS Vanaf half 1608 werd langs de randen van het oude land een ringdijk aangelegd en werden molens gebouwd voor de bemaling. Acht huijsluijden uit de omliggende dorpen, waaronder Jan Adriaensz. uit De Rijp, werden tot adviseur en toezichthouder van de dijkwerken aangesteld. Zij konden echter niet voorkomen dat er flink gesjoemeld werd bij de dijkbouw, waardoor deze niet de gewenste stevigheid en hoogte kreeg. Door het extreem natte weer trad vertraging op bij het sluiten van de dijk, en kon pas tegen het einde van 1608 gestart worden met het leegpompen van de Beemster. Omdat de twee hoofdaannemers buiten hun schuld niet aan de gestelde opleverdatum konden voldoen, werd het contract ontbonden. Dat was immers een van ontbindende voorwaarden: "... bij ongeluk van vloed of anders, dat de ringdijk inbrak of inliep, zoo zullen de aannemers niet gehouden zijn dat ongeval te dragen, ... met de aannemers in redelijkheid accorderen". De molens werden verder in eigen beheer van de bedijkers gebouwd, waarbij de aannemers in dienst werden genomen als opzichters, samen met de timmerman Jan Adriaensz. Leeghwater (1575-1650) uit De Rijp.

In januari 1609 was al zo veel water weggepompt dat de Beemster op een laag zomerpeil stond. Intussen stonden er 26 molens, in 13 tweetraps gangen. Deze lagen parallel met de dijk, omdat alleen daar, op de randen van het oude land, gebouwd kon worden. Pas de latere derde en vierde trappen zouden op het nieuwe land gebouwd worden. Wat aan de plaats van de molengangen opvalt, is dat deze op een enkele uitzondering na niet aansluiten op de tochtsloten. Dit valt te verklaren uit het feit dat het ontwerp van het wegen- en slotenplan van de Beemster pas in 1611 werd gemaakt, nadat de meeste molens al een aantal jaren gemalen hadden. Hierdoor kwamen de meeste molenkolken ongunstig in agrarische kavels te liggen.

Eind 1609 was het pompen zo ver gevorderd dat overal, behalve in de Kil (de oude bedding van de rivier Bamestra), de bodem droog lag. Op 20 januari 1610 liep de verse polder echter weer vol, toen als gevolg van een breuk in de Zuiderzeedijken ook de nog weke Beemsterdijk (met goedkeuring van Jan Adriaensz. gemaakt van veen!) het begaf. Drie molens werden door de storm omver geblazen en een tiental raakten er ernstig beschadigd. Men besloot direkt daarna om een grotendeels nieuwe ringdijk te maken, op de meeste plekken meer landinwaarts, zo hoog dat hij een meter boven het omringende land uitstak, en niet meer van veen maar van klei. Vanaf 25 juni 1610 maalden enkele molens weer. De laatste aanbestedingen voor het herstel en vernieuwen van de vernielde dijkparken vonden echter pas in de loop van augustus 1610 plaats, zodat het uitmalen van het water vermoedelijk in september/oktober 1610 echt kon worden hervat. De ondermolens werden tijdelijk als extra bovenmolens ingezet om de hervatte droogmaking te bespoedigen. Nadat de dijk eind 1610 helemaal volgens bestek afgemaakt was, besloten de bedijkers dat er 30 molens benodigd zouden zijn (zie Nationaal Archief, een kaart waarop de plaatsen van de 30 molens/ 15 tweegangen van eind 1610 aangetekend lijken te zijn met een "2").

Maar begin 1612, na wat verplaatsen en bijbouwen van molens, stonden er al 43 molens, waarmee over het algemeen een drietrapsbemaling tot stand was gebracht. Op 19 mei 1612 was de drooglegging nogmaals grotendeels voltooid [volgens dominee A. Wolff, 1740]. Alleen de laaggelegen Kilpolder stond nog deels blank, hier werden de twee Spijkerboorder molens heen verplaatst. Op 4 juli 1612 brachten volgens Leeghwater de prinsen Maurits en Frederik Hendrik van Oranje een bezoek aan de nieuwe polder, op 30 juli 1612 vond de kavelverloting plaats.

Highslide JS

Op 4 juli 1612 brachten volgens Leeghwater de prinsen Maurits en Frederik Hendrik van Oranje een bezoek aan de nieuwe polder, voor dit verhaal zijn echter nog geen andere bronnen gevonden. In de negentiende eeuw werd het tafereel van die dag wel uitgebeeld:

Afb. op titelblad van Drietal gedenkwaardige tafereelen uit de geschiedenis van Noord Holland door D.R. Erdbrink, 1854. C.C.A. Last, del., Steend. van F. Boger.
De feestelijke ontvangst van de prinsen, met reeds opschietende bomen in de pas drooggevallen polder, en de korenmolen waarvoor pas in 1614 vergunning werd verleend.

Highslide JS

Afb. op titelblad van Grootvaders memorieboek. Schetsen uit den tijd der Fransche Overheersching in Noordholland, door J. Bouman, 1863.
Bouman moet beseft hebben dat de bomen en de molen niet klopten, en heeft een nieuwe versie laten maken.

In 1862 werd bij gelegenheid van het jubileumfeest van de Beemster een met de hand ingekleurde feestprent verkrijgbaar gesteld met, goud omlijst, een impressie van de begroeting van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik door Dirck van Oss op "den vierden dag van July's schoone dagen".
Bron: Portret van de Beemster 1962/ 1970.
Bij het jubileum in 1937 werd die centrale tekening opnieuw uitgegeven in koper, met linksboven een portretje van Dirck van Oss en rechtsboven van J.A. Leeghwater.



De kosten voor nieuwe molens werden in maart 1613 door de molenmakers Jan Adriaenszoon Leeghwater en J. Huiberts beraamd op ƒ 5470,- per molen.Gedurende 1613 en 1614 werden de molens afgetimmerd, tot dan toe stonden ze er als kale geraamtes bij. Dit was natuurlijk niet bevorderlijk voor het binnenwerk, maar wel voor de droogmaking: een kale molen levert immers een beter rendement dan een bedekte. Eind april 1615 werd besloten de betimmering niet meer aan te besteden, maar de timmerlieden zelf in dienst te nemen. De volgende timmerbazen van dit werk werden door de Hoofdingelanden ingehuurd voor 's zomers ƒ 1,10 en 's winters ƒ 0,90 per dag (de knechts kregen 2 stuivers minder):


  • Jan Huibertsz. voor de 12 Kruisoorder en de 3 Havermeerder molens, en de Kilmolen oost.
  • Pieter Cornelisz. voor de 3 Wouder, de 3 Schermerhorner en de 3 Avenhorner molens.
  • Jan Cornelisz. voor de 3 Kwadijker en de 3 Hobreder molens.
  • Jan Seymonsz. voor de 3 Rijper en de 3 Volger molens, en de Kilmolen west.
  • Huibert Cornelisz. voor de 3 Draaioorder, de 2 Purmerender en de 2 Jisper molens.

Op het kaartfragment van Van Berckenrode uit 1644 de timmerwerf bij De Rijp, in de onderdijk tussen de Rijpergang en de Graftdijkergang.

In 1617 waren er 45 molens, waarvan het onderhoud meer dan ƒ 20.000,- per jaar kostte. In de loop der volgende jaren werden de waterlopen in de Beemster sterk verbeterd. Verscheidene molens werden grotendeels vernieuwd, sommige verhoogd of verlaagd, en enige verplaatst. En toch kon het waterpeil nog niet overal naar wens beheerst worden. De sterke inklinking zorgde ervoor dat grote delen van de bodem van de 7200 ha grote Beemster in enkele tientallen jaren een meter daalden.

Naar aanleiding van die grote bodemdaling, alsmede de wens om het waterpeil een voet te verlagen om de landerijen beter te laten uitzakken, werden er in 1632 en de jaren erna flinke wijzigingen in de molenstand aangebracht: er werd een vierde molentrap ingevoerd.

Hiervoor werden 5 nieuwe ondermolens bijgebouwd, tevens werd er bij de Beets een extra molengang toegevoegd. Vier molengangen werden opgebroken, de 12 molens naar andere gangen overgebracht, en zelfs een geheel nieuwe molengang toegevoegd: de Graftdijker molens. Hiermee kwam het aantal molens op 49. Bij de Kruisoorder molengang werd nog een extra bovenmolen toegevoegd, vanwege de vaak hoge waterstanden in de Ringvaart. Daarna zijn vanaf 1636 de schepradmolens zo blijven staan tot de vervijzeling rond 1850. Het toenmalige polderbestuur lukte het om onder normale omstandigheden met deze 50 molens de polder droog te houden.

Verder naar Locaties

Impressum
© 2006 Michiel Hooijberg.

Klik hier voor de Indexpagina.