Reeds begin maart 1608 werd besloten om nog vijf extra watermolens te laten bouwen. De molenbouwers uit Delft wilden ze alle vijf graag aannemen, maar op 6 maart kregen ze te horen dat dat niet doorging. Twee van de hoofdingelanden namen toen op zich, de vijf extra molens te doen aanbesteden aan de beste molenmeesters, en zo goedkoop mogelijk. In de loop van het jaar moet besloten zijn, het aantal molens tot 26 uit te breiden.
Vanaf half 1608 werd langs de randen van het oude land een ringdijk aangelegd en werden molens gebouwd voor de bemaling. Acht huijsluijden uit de omliggende dorpen, waaronder Jan Adriaensz. uit De Rijp, werden tot adviseur en toezichthouder van de dijkwerken aangesteld. Zij konden echter niet voorkomen dat er flink gesjoemeld werd bij de dijkbouw, waardoor deze niet de gewenste stevigheid en hoogte kreeg. Door het extreem natte weer trad vertraging op bij het sluiten van de dijk, en kon pas tegen het einde van 1608 gestart worden met het leegpompen van de Beemster. Omdat de twee hoofdaannemers buiten hun schuld niet aan de gestelde opleverdatum konden voldoen, werd het contract ontbonden. Dat was immers een van ontbindende voorwaarden: "... bij ongeluk van vloed of anders, dat de ringdijk inbrak of inliep, zoo zullen de aannemers niet gehouden zijn dat ongeval te dragen, ... met de aannemers in redelijkheid accorderen". De molens werden verder in eigen beheer van de bedijkers gebouwd, waarbij de aannemers in dienst werden genomen als opzichters, samen met de timmerman Jan Adriaensz. Leeghwater (1575-1650) uit De Rijp.
In januari 1609 was al zo veel water weggepompt dat de Beemster op een laag zomerpeil stond. Intussen stonden er 26 molens, in 13 tweetraps gangen. Deze lagen parallel met de dijk, omdat alleen daar, op de randen van het oude land, gebouwd kon worden. Pas de latere derde en vierde trappen zouden op het nieuwe land gebouwd worden. Wat aan de plaats van de molengangen opvalt, is dat deze op een enkele uitzondering na niet aansluiten op de tochtsloten. Dit valt te verklaren uit het feit dat het ontwerp van het wegen- en slotenplan van de Beemster pas in 1611 werd gemaakt, nadat de meeste molens al een aantal jaren gemalen hadden. Hierdoor kwamen de meeste molenkolken ongunstig in agrarische kavels te liggen.
Eind 1609 was het pompen zo ver gevorderd dat overal, behalve in de Kil (de oude bedding van de rivier Bamestra), de bodem droog lag. Op 20 januari 1610 liep de verse polder echter weer vol, toen als gevolg van een breuk in de Zuiderzeedijken ook de nog weke Beemsterdijk (met goedkeuring van Jan Adriaensz. gemaakt van veen!) het begaf. Drie molens werden door de storm omver geblazen en een tiental raakten er ernstig beschadigd. Men besloot direkt daarna om een grotendeels nieuwe ringdijk te maken, op de meeste plekken meer landinwaarts, zo hoog dat hij een meter boven het omringende land uitstak, en niet meer van veen maar van klei. Vanaf 25 juni 1610 maalden enkele molens weer. De laatste aanbestedingen voor het herstel en vernieuwen van de vernielde dijkparken vonden echter pas in de loop van augustus 1610 plaats, zodat het uitmalen van het water vermoedelijk in september/oktober 1610 echt kon worden hervat. De ondermolens werden tijdelijk als extra bovenmolens ingezet om de hervatte droogmaking te bespoedigen. Nadat de dijk eind 1610 helemaal volgens bestek afgemaakt was, besloten de bedijkers dat er 30 molens benodigd zouden zijn (zie Nationaal Archief, een kaart waarop de plaatsen van de 30 molens/ 15 tweegangen van eind 1610 aangetekend lijken te zijn met een "2").
Maar begin 1612, na wat verplaatsen en bijbouwen van molens, stonden er al 43 molens, waarmee over het algemeen een drietrapsbemaling tot stand was gebracht. Op 19 mei 1612 was de drooglegging nogmaals grotendeels voltooid [volgens dominee A. Wolff, 1740]. Alleen de laaggelegen Kilpolder stond nog deels blank, hier werden de twee Spijkerboorder molens heen verplaatst. Op 4 juli 1612 brachten volgens Leeghwater de prinsen Maurits en Frederik Hendrik van Oranje een bezoek aan de nieuwe polder, op 30 juli 1612 vond de kavelverloting plaats.
|
Op 4 juli 1612 brachten volgens Leeghwater de prinsen Maurits en Frederik Hendrik van Oranje een bezoek aan de nieuwe polder, voor dit verhaal zijn echter nog geen andere bronnen gevonden. In de negentiende eeuw werd het tafereel van die dag wel uitgebeeld:
Afb. op titelblad van Drietal gedenkwaardige tafereelen uit de geschiedenis van Noord Holland door D.R. Erdbrink, 1854. C.C.A. Last, del., Steend. van F. Boger. De feestelijke ontvangst van de prinsen, met reeds opschietende bomen in de pas drooggevallen polder, en de korenmolen waarvoor pas in 1614 vergunning werd verleend.
|
|
Afb. op titelblad van Grootvaders memorieboek. Schetsen uit den tijd der Fransche Overheersching in Noordholland, door J. Bouman, 1863. Bouman moet beseft hebben dat de bomen en de molen niet klopten, en heeft een nieuwe versie laten maken.
In 1862 werd bij gelegenheid van het jubileumfeest van de Beemster een met de hand ingekleurde feestprent verkrijgbaar gesteld met, goud omlijst, een impressie van de begroeting van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik door Dirck van Oss op "den vierden dag van July's schoone dagen".
Bron: Portret van de Beemster 1962/ 1970.
Bij het jubileum in 1937 werd die centrale tekening opnieuw uitgegeven in koper, met linksboven een portretje van Dirck van Oss en rechtsboven van J.A. Leeghwater.
|
De kosten voor nieuwe molens werden in maart 1613 door de molenmakers Jan Adriaenszoon Leeghwater en J. Huiberts beraamd op 5470,- per molen.Gedurende 1613 en 1614 werden de molens afgetimmerd, tot dan toe stonden ze er als kale geraamtes bij. Dit was natuurlijk niet bevorderlijk voor het binnenwerk, maar wel voor de droogmaking: een kale molen levert immers een beter rendement dan een bedekte. Eind april 1615 werd besloten de betimmering niet meer aan te besteden, maar de timmerlieden zelf in dienst te nemen. De volgende timmerbazen van dit werk werden door de Hoofdingelanden ingehuurd voor 's zomers 1,10 en 's winters 0,90 per dag (de knechts kregen 2 stuivers minder):
- Jan Huibertsz. voor de 12 Kruisoorder en de 3 Havermeerder molens, en de Kilmolen oost.
- Pieter Cornelisz. voor de 3 Wouder, de 3 Schermerhorner en de 3 Avenhorner molens.
- Jan Cornelisz. voor de 3 Kwadijker en de 3 Hobreder molens.
- Jan Seymonsz. voor de 3 Rijper en de 3 Volger molens, en de Kilmolen west.
- Huibert Cornelisz. voor de 3 Draaioorder, de 2 Purmerender en de 2 Jisper molens.
Op het kaartfragment van Van Berckenrode uit 1644 de timmerwerf bij De Rijp, in de onderdijk tussen de Rijpergang en de Graftdijkergang.
In 1617 waren er 45 molens, waarvan het onderhoud meer dan 20.000,- per jaar kostte. In de loop der volgende jaren werden de waterlopen in de Beemster sterk verbeterd. Verscheidene molens werden grotendeels vernieuwd, sommige verhoogd of verlaagd, en enige verplaatst. En toch kon het waterpeil nog niet overal naar wens beheerst worden. De sterke inklinking zorgde ervoor dat grote delen van de bodem van de 7200 ha grote Beemster in enkele tientallen jaren een meter daalden.
Naar aanleiding van die grote bodemdaling, alsmede de wens om het waterpeil een voet te verlagen om de landerijen beter te laten uitzakken, werden er in 1632 en de jaren erna flinke wijzigingen in de molenstand aangebracht: er werd een vierde molentrap ingevoerd.
Hiervoor werden 5 nieuwe ondermolens bijgebouwd, tevens werd er bij de Beets een extra molengang toegevoegd. Vier molengangen werden opgebroken, de 12 molens naar andere gangen overgebracht, en zelfs een geheel nieuwe molengang toegevoegd: de Graftdijker molens. Hiermee kwam het aantal molens op 49. Bij de Kruisoorder molengang werd nog een extra bovenmolen toegevoegd, vanwege de vaak hoge waterstanden in de Ringvaart. Daarna zijn vanaf 1636 de schepradmolens zo blijven staan tot de vervijzeling rond 1850. Het toenmalige polderbestuur lukte het om onder normale omstandigheden met deze 50 molens de polder droog te houden.
Verder naar Locaties
|