|
|||||
|
Op 14 april 1607, tijdens de Tachtigjarige Oorlog met Spanje, werd een onderneming - de compagnie der bedijkers - opgericht om de drooglegging van het Beemstermeer te realiseren. Hierin zaten naast kooplieden vertegenwoordigers van de Staten van Holland en Westfriesland, allen rijke lieden die in de droogmaking een goede investering zagen. de achtkante oliemolen van Jan Adriaensz. uit De Rijp gekeken, alsmede met Pieter Pietersz. uit De Rijp en Pieter Claesz. van de Vuile Graft (West-Graftdijk) gesproken, om te beoordelen of hun uitvindingen van nut zouden kunnen zijn. De verbeteringen van Jan Adriaensz. werden niet gebruikt.
Omdat de beide Pieters beloofden dat hun molens 50 procent beter zouden presteren dan de gangbare, werd overeengekomen dat er twee molens volgens hun ideλen gebouwd zouden worden Later kregen zij onderhands het contract voor de bouw van alle 16 molens. Dit werden achtkante binnenkruiers met een scheprad, klik hier voor het complete bestek waaraan ze moesten voldoen.
Rond de jaarwisseling 1607 - 1608 werd de bouw van 16 molens aanbesteed, welke op 30 mei opgeleverd moesten worden. Het ging om 14 nieuwe molens, die door molenbouwers uit heel Noord- en Zuid-Holland aangenomen werden, waaronder ook Pieter Claasz. zelf. Het ijzerwerk voor de in Zuid-Holland bestede molens werd door een smid in Delft geleverd. Verder werd er een gebruikte watermolen aangekocht in Mastenbroek, alsmede een korenmolen in Schiedam, die omgebouwd moest worden tot watermolen. De aanbesteding aan de onderaannemers verliep van 31 december 1607 tot 18 februari 1608 als volgt:
In januari 1609 was al zo veel water weggepompt dat de Beemster op een laag zomerpeil stond. Intussen stonden er 26 molens, in 13 tweetraps gangen. Deze lagen parallel met de dijk, omdat alleen daar, op de randen van het oude land, gebouwd kon worden. Pas de latere derde en vierde trappen zouden op het nieuwe land gebouwd worden. Wat aan de plaats van de molengangen opvalt, is dat deze op een enkele uitzondering na niet aansluiten op de tochtsloten. Dit valt te verklaren uit het feit dat het ontwerp van het wegen- en slotenplan van de Beemster pas in 1611 werd gemaakt, nadat de meeste molens al een aantal jaren gemalen hadden. Hierdoor kwamen de meeste molenkolken ongunstig in agrarische kavels te liggen. Eind 1609 was het pompen zo ver gevorderd dat overal, behalve in de Kil (de oude bedding van de rivier Bamestra), de bodem droog lag. Op 20 januari 1610 liep de verse polder echter weer vol, toen als gevolg van een breuk in de Zuiderzeedijken ook de nog weke Beemsterdijk (met goedkeuring van Jan Adriaensz. gemaakt van veen!) het begaf. Drie molens werden door de storm omver geblazen en een tiental raakten er ernstig beschadigd. Men besloot direkt daarna om een grotendeels nieuwe ringdijk te maken, op de meeste plekken meer landinwaarts, zo hoog dat hij een meter boven het omringende land uitstak, en niet meer van veen maar van klei. Vanaf 25 juni 1610 maalden enkele molens weer. De ondermolens werden tijdelijk als extra bovenmolens ingezet om de hervatte droogmaking te bespoedigen. Nadat de dijk eind 1610 helemaal volgens bestek dichtgemaakt was, besloten de bedijkers dat er 30 molens benodigd zouden zijn. Maar begin 1612, na wat verplaatsen en bijbouwen van molens, stonden er al 43 molens, waarmee over het algemeen een drietrapsbemaling tot stand was gebracht. Op 19 mei 1612 was de drooglegging nogmaals grotendeels voltooid. Alleen de laaggelegen Kilpolder stond nog deels blank, hier werden de twee Spijkerboorder molens heen verplaatst. De kosten voor nieuwe molens werden in maart 1613 door de molenmakers Jan Adriaenszoon Leeghwater en J. Huiberts beraamd op 5470,- per molen. Gedurende 1613 en 1614 werden de molens afgetimmerd, tot dan toe stonden ze er als kale geraamtes bij. Dit was natuurlijk niet bevorderlijk voor het binnenwerk, maar wel voor de droogmaking: een kale molen levert immers een beter rendement dan een bedekte. Eind april 1615 werd besloten de betimmering niet meer aan te besteden, maar de timmerlieden zelf in dienst te nemen. De volgende timmerbazen van dit werk werden door de Hoofdingelanden ingehuurd voor 's zomers 1,10 en 's winters 0,90 per dag (de knechts kregen 2 stuivers minder):
|
|||||
|
In 1617 waren er 45 molens, waarvan het onderhoud meer dan 20.000,- per jaar kostte. In de loop der volgende jaren werden de waterlopen in de Beemster sterk verbeterd. Verscheidene molens werden grotendeels vernieuwd, sommige verhoogd of verlaagd, en enige verplaatst. En toch kon het waterpeil nog niet overal naar wens beheerst worden. De sterke inklinking zorgde ervoor dat grote delen van de bodem van de 7200 ha grote Beemster in enkele tientallen jaren een meter daalden.
|